JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5359Middel38/100

Geen bestuursrechtelijke toetsing consulaire bijstand Gaza-studente

ECLI:NL:RVS:2026:5359, Raad van State, 09-09-2026, 202600651/1/V6

Raad van StateUitspraak: 9 september 2026Publicatie: 9 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202600651/1/V6

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij e-mail van 17 november 2025 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een verzoek van [appellant] om haar consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten, afgewezen. Op het moment van het verzoek verbleef [appellant] in Gaza. Zij wil in Nederland een masteropleiding volgen aan een Nederlandse universiteit. De universiteit heeft haar toegelaten tot deze masteropleiding en de minister van Asiel en Migratie heeft haar eerder laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zodat [appellant] in Nederland kan verblijven met een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘studie’. [appellant] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij deze mvv moet ophalen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië, en dat het volgens haar niet mogelijk is om zonder hulp van de minister de grens van Gaza over te steken. Zij heeft de minister daarom verzocht om consulaire bijstand. Die consulaire bijstand houdt in dit geval in dat de minister zich langs diplomatieke weg inspant om ervoor te zorgen dat [appellant] de grens over mag steken.

Kern van de zaak

Een Palestijnse vrouw verblijvend in Gaza wil in Nederland een masteropleiding volgen en heeft een mvv nodig die zij moet ophalen in Jordanië. Zij verzoekt de minister van Asiel en Migratie om consulaire bijstand bij het oversteken van de Gazagrens. De minister wijst dit af en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Beslissing van de rechter

De Raad van State oordeelt (op basis van de beschikbare tekst) dat de afwijzing van consulaire bijstand geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De doorslaggevende reden is dat consulaire bijstand een feitelijk handelen betreft zonder beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie over het besluitbegrip en heeft geen fundamenteel nieuwe rechtsvormende werking, maar is maatschappelijk relevant gezien de Gaza-context en de groep studenten in vergelijkbare situaties.

Belangrijkste punten

  • 1Consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza kwalificeert niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb
  • 2Bij feitelijk handelen of nalaten zonder publiekrechtelijk rechtsgevolg staat geen bezwaar of beroep open
  • 3De minister heeft nooit ondubbelzinnig gecommuniceerd dat consulaire bijstand in dit geval als publieke taak zou worden uitgeoefend
  • 4De mvv was reeds verleend; het geschil betrof uitsluitend de diplomatieke bijstand bij het grensoversteken
  • 5De uitspraak bevestigt de beperkte reikwijdte van bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij buitenlandse consulaire handelingen

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat consulaire bijstandsverlening door de Nederlandse overheid in beginsel buiten het bestuursrechtelijk besluitbegrip valt, tenzij ondubbelzinnig sprake is van een publieke taak met beoogd rechtsgevolg. Dit sluit bestuursrechtelijke rechtsbescherming voor betrokkenen nagenoeg uit.

Praktische impact

Personen in Gaza of vergelijkbare conflictgebieden die Nederlandse consulaire bijstand nodig hebben om een eerder verleend verblijfsrecht te effectueren, kunnen de weigering van die bijstand niet langs bestuursrechtelijke weg aanvechten. Zij zijn aangewezen op civielrechtelijke procedures of diplomatieke kanalen.

Onderwerp-impact

Voor studenten uit conflictgebieden die zijn toegelaten tot Nederlandse onderwijsinstellingen maar de feitelijke toegang tot Nederland niet kunnen bewerkstelligen zonder overheidsbijstand, biedt deze uitspraak geen bestuursrechtelijk vangnet. De combinatie van onderwijs- en migratiebeleid levert zo een juridisch vacuüm op.

Samenvatting

Een Palestijnse vrouw die in Gaza verblijft, is toegelaten tot een Nederlandse masteropleiding en heeft van de minister van Asiel en Migratie al groen licht gekregen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Om die mvv op te halen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië, moet zij echter eerst de Gazagrens oversteken. Omdat dit zonder diplomatieke ondersteuning volgens haar niet mogelijk is, verzoekt zij de minister om consulaire bijstand in de vorm van diplomatieke inspanningen om haar grensoverschrijding mogelijk te maken. De minister wijst dit verzoek af, omdat de vrouw niet behoort tot een van de categorieën die voor consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza in aanmerking komen. Op het bezwaar dat zij daartegen indient, verklaart de minister haar niet-ontvankelijk, omdat de afwijzing van consulaire bijstand naar zijn oordeel geen voor bezwaar vatbaar besluit is. De rechtbank bevestigt dit oordeel: consulaire bijstand betreft feitelijk handelen of nalaten waarbij geen publiekrechtelijk rechtsgevolg wordt beoogd, zodat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Ook ziet de rechtbank geen reden om de afwijzing als besluit te kwalificeren op grond van een aan de minister toegekende publieke taak, nu de minister nooit ondubbelzinnig heeft gecommuniceerd een dergelijke taak in dit geval op zich te nemen. De Raad van State bevestigt dit oordeel. De kernvraag is of de weigering van consulaire bijstand een appellabel besluit oplevert. Het antwoord is ontkennend: het ontbreekt aan een beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg, wat de wezenlijke voorwaarde is voor het bestaan van een besluit in bestuursrechtelijke zin. De uitspraak illustreert de grenzen van bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij diplomatiek en consulair optreden van de Nederlandse overheid in het buitenland, en laat een lacune zien voor personen in conflictgebieden die formeel recht hebben op verblijf in Nederland maar dat recht feitelijk niet kunnen verzilveren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied