Raad van State: consulaire bijstand Gaza niet aanvechtbaar besluit
ECLI:NL:RVS:2026:5234, Raad van State, 09-09-2026, 202600650/1/V6
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij e-mail van 8 december 2025 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een verzoek van [appellant] om hem consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten, afgewezen. Op het moment van het verzoek verbleef [appellant] in Gaza. Hij wil in Nederland een masteropleiding volgen aan een Nederlandse universiteit. De universiteit heeft hem toegelaten tot deze masteropleiding en de minister van Asiel en Migratie heeft hem eerder laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zodat [appellant] in Nederland kan verblijven met een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘studie’. [appellant] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij deze mvv moet ophalen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië, en dat het volgens hem niet mogelijk is om zonder hulp van de minister de grens van Gaza over te steken. Hij heeft de minister daarom verzocht om consulaire bijstand. Die consulaire bijstand houdt in dit geval in dat de minister zich langs diplomatieke weg inspant om ervoor te zorgen dat [appellant] de grens over mag steken.
Kern van de zaak
Een Palestijnse student in Gaza wilde via consulaire bijstand van de Nederlandse minister van Asiel en Migratie de grens oversteken om zijn mvv op te halen in Amman en een masteropleiding in Nederland te volgen. De minister weigerde deze bijstand en verklaarde het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk. De student vocht dit aan bij de rechter.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bekrachtigt het oordeel van de rechtbank dat de weigering van consulaire bijstand geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De doorslaggevende reden is dat consulaire bijstand feitelijk handelen betreft zonder beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg, en onderdeel is van het buitenlands beleid waarbinnen de minister grote vrijheid heeft.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is afkomstig van de Raad van State en bevestigt een principieel punt over de reikwijdte van de Awb bij consulaire bijstand, mede gestaafd door recent HvJ EU-recht. De maatschappelijke relevantie is groot gezien de situatie in Gaza, maar de rechtsregel zelf is een bevestiging van bestaand recht.
Belangrijkste punten
- 1Consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza kwalificeert niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb wegens het ontbreken van publiekrechtelijk rechtsgevolg.
- 2Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard door de minister.
- 3Het HvJ EU-arrest Gonrieh (26 maart 2026) bevestigt dat lidstaten niet verplicht zijn diplomatieke of consulaire hulp te bieden, ook niet bij visum- of verblijfsrechtelijke procedures.
- 4De minister heeft een ruime beleidsvrijheid in het voeren van buitenlands beleid, inclusief beslissingen over consulaire bijstand.
- 5De toelating tot de masteropleiding en de eerder verleende mvv-instemming stonden niet ter discussie; het geschil betrof uitsluitend de consulaire bijstand.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt dat consulaire bijstand buiten het bereik van de Awb-rechtsbescherming valt en niet via de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure kan worden aangevochten. Het HvJ EU-arrest Gonrieh wordt expliciet ingepast in de Nederlandse bestuursrechtelijke context.
Praktische impact
Personen in conflictgebieden die afhankelijk zijn van Nederlandse consulaire bijstand om een visum of verblijfsvergunning te effectueren, hebben geen bestuursrechtelijke rechtsingang als die bijstand wordt geweigerd. Zij zijn aangewezen op politieke of diplomatieke kanalen.
Onderwerp-impact
Voor het onderwijs en de toelating van internationale studenten uit conflictgebieden onderstreept deze uitspraak dat toegang tot een studie in Nederland illusoir kan blijven indien de student fysiek geen ambassade kan bereiken, zonder dat de rechter daarvoor een oplossing kan bieden.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Palestijnse student die in Gaza verbleef en een masteropleiding wilde volgen aan een Nederlandse universiteit. De universiteit had hem toegelaten en de minister van Asiel en Migratie had ingestemd met de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Om die mvv op te halen moest appellant in persoon verschijnen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië. Omdat hij zonder hulp de grens van Gaza niet kon oversteken, verzocht hij de minister om consulaire bijstand in de vorm van diplomatieke inspanningen om zijn grensoverschrijding mogelijk te maken. De minister weigerde dit verzoek omdat appellant niet behoorde tot de groepen die voor dergelijke bijstand in aanmerking kwamen, en verklaarde het vervolgens ingediende bezwaar niet-ontvankelijk op de grond dat de weigering geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bevestigde dit oordeel: consulaire bijstand is feitelijk handelen zonder beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg en valt daarmee buiten het bereik van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming. De Raad van State bekrachtigt dit oordeel. Consulaire bijstand is onderdeel van het buitenlands beleid, waarbij de minister een grote beleidsvrijheid heeft. Een veelheid aan factoren beïnvloedt de beslissing om dergelijke hulp te verlenen. Bovendien steunt de Raad van State zich op het arrest Gonrieh van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 maart 2026, waaruit volgt dat lidstaten niet verplicht zijn diplomatieke of consulaire hulp te verlenen, ook niet aan personen aan wie een visum is toegezegd. De uitspraak maakt duidelijk dat gedupeerden in conflictgebieden die afhankelijk zijn van consulaire bijstand om hun verblijfsrecht te effectueren, geen bestuursrechtelijke rechtsingang hebben bij weigering van die bijstand.