JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:26233Laag28/100

Mvv-aanvraag minderjarige deels ten onrechte afgewezen

ECLI:NL:RBDHA:2026:26233, Rechtbank Den Haag, 08-09-2026, NL26.41482

Rechtbank Den HaagUitspraak: 8 september 2026Publicatie: 10 september 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:NL26.41482
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Mensenrechten
Arbeidsrelaties
Overheid
Gezinshereniging
Mvv
Vreemdelingencirculaire
Halfbroers Halfzussen
Familie Of Gezinsleven

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Afwijzing mvv 8 EVRM. Vanwege de onduidelijkheid over het horen van verzoeker, het voorlopig rechtmatigheidsoordeel en de spoedeisendheid die steeds groter wordt, treft de voorzieningenrechter in deze uitspraak een voorlopige voorziening die inhoudt dat verzoeker per 1 oktober 2026 dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van een geldige mvv, als de minister niet uiterlijk op 30 september 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft beslist.

Kern van de zaak

Een minderjarige jongen (geboren 2009) vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij zijn halfbroer (referent met asielvergunning) in Nederland te verblijven. De minister wees zijn aanvraag af wegens het ontbreken van hechte persoonlijke banden, terwijl de aanvragen van zijn stiefmoeder, halfbroers en halfzus wel werden ingewilligd. Verzoeker stapte naar de voorzieningenrechter.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering (behandeling alsof mvv is verleend) niet ingewilligd, maar de minister heeft ter zitting erkend dat de toetsing op hechte persoonlijke banden met de halfbroers en halfzus onjuist was. Op grond van artikel B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire wordt familie- of gezinsleven vermoed bij samenwoning, zodat de beslissing op bezwaar op dit punt moet worden herzien.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een voorlopige voorzieningsprocedure bij een rechtbank waarbij de minister zelf zijn fout erkende; de uitspraak past bestaand beleid toe en stelt geen nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1Minister erkende ter zitting een beoordelingsfout: bij halfbroers/halfzus met wie verzoeker heeft samengeleefd geldt een vermoeden van familie- of gezinsleven (art. B7/3.8.1 Vc)
  • 2De enkele samenwoning werd door de minister aanvankelijk onvoldoende geacht voor hechte persoonlijke banden, wat in strijd bleek met de Vreemdelingencirculaire
  • 3Geen artikel 8 EVRM-toets verricht door de minister, omdat hij ten onrechte oordeelde dat er geen familie- of gezinsleven bestond
  • 4Primaire vordering (behandeling als ware mvv verleend) afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegend spoedeisend belang en onvoldoende twijfel aan rechtmatigheid op alle onderdelen
  • 5Subsidiaire vordering gericht op spoedige beslissing op bezwaar lijkt relevant gezien erkende fout

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat artikel B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire een vermoeden van familie- of gezinsleven schept bij aantoonbare samenwoning tussen halfbroers en halfzussen, en dat dit vermoeden niet zomaar terzijde kan worden geschoven door aanvullende eisen te stellen aan de intensiteit van de band.

Praktische impact

De minister moet in de beslissing op bezwaar opnieuw beoordelen of de mvv-aanvraag van verzoeker toewijsbaar is, nu de band met halfbroers en halfzus alsnog als familie- of gezinsleven moet worden gekwalificeerd; dit kan alsnog leiden tot inwilliging.

Onderwerp-impact

Voor vreemdelingen in gezinsherenigingsprocedures benadrukt deze zaak het belang van de circulairebepalingen die samenwoning tussen halfbroers/halfzussen als voldoende grondslag aanmerken voor familie- of gezinsleven, zonder dat aanvullend bewijs van 'hechte banden' vereist is.

Samenvatting

In deze kortgedingprocedure bij de Rechtbank Den Haag staat de mvv-aanvraag centraal van een minderjarige jongen (geboren 2009) die in het kader van gezinshereniging bij zijn halfbroer in Nederland wil verblijven. De halfbroer beschikt over een asielvergunning voor bepaalde tijd en is daarmee de referent. De minister had de aanvragen van de stiefmoeder, halfbroers en halfzus van verzoeker wel ingewilligd, maar die van verzoeker afgewezen. De reden daarvoor was dat er geen hechte persoonlijke banden zouden bestaan tussen verzoeker enerzijds en de referent, de halfbroers, halfzus en stiefmoeder anderzijds. Samenwoning vanaf begin 2024 achtte de minister op zichzelf onvoldoende; andere omstandigheden die de gebruikelijke broer-zusrelatie zouden overstijgen waren niet gebleken. Omdat de minister oordeelde dat er geen familie- of gezinsleven bestond, werd ook geen afweging in het kader van artikel 8 EVRM gemaakt. In de voorzieningenprocedure vroeg verzoeker primair om te worden behandeld alsof hij al in het bezit was van een mvv, en subsidiair om een spoedige beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter wijst de primaire vordering af, omdat zo'n vergaande maatregel alleen op zijn plaats is bij een zwaarwegend spoedeisend belang én ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit. Aan dat laatste werd niet volledig voldaan. Cruciale wending was echter de erkenning door de gemachtigde van de minister ter zitting: de toetsing aan 'hechte persoonlijke banden' voor de halfbroers en halfzus was onjuist. Artikel B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire bepaalt namelijk dat wanneer een verzoeker heeft samengeleefd met halfbroers en halfzussen, familie- of gezinsleven wordt vermoed aanwezig te zijn. De minister dient dit in de beslissing op bezwaar te corrigeren, wat de kans vergroot dat de mvv-aanvraag van verzoeker alsnog wordt ingewilligd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 10 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5363Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5363, Raad van State, 09-09-2026, 202504077/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied