Hof stelt flexibele co-ouderschapsregeling vast voor bijna-meerderjarige
ECLI:NL:GHAMS:2026:1933, Gerechtshof Amsterdam, 14-07-2026, 200.366.050/01 en 200.366.050/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bekrachtiging bestreden beschikking. Zorgregeling, hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming verhuizing en inschrijving op adres moeder. Artikel: 1:253a lid 4 BW jo. 1:377e BW, 1:253a lid 1 BW.
Kern van de zaak
Gescheiden ouders zijn in conflict over de zorgregeling voor hun minderjarige kind. De vader heeft de rechtbank verzocht de bestaande regeling te wijzigen. De rechtbank heeft een nieuwe regeling vastgesteld, waartegen beroep is ingesteld bij het gerechtshof.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en stelt een flexibele co-ouderschapsregeling vast waarbij het kind eens per veertien dagen minimaal zes dagen bij elke ouder verblijft en de overige twee dagen in onderling overleg worden verdeeld. Doorslaggevend is de bijna-meerderjarigheid van het kind, zijn eigen wens om bij beide ouders tijd door te brengen, en de noodzaak hem ruimte te geven zijn verblijf af te stemmen op school en werk.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele gezags- en zorgregeling in hoger beroep zonder richtinggevende rechtsvragen; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke zaak.
Belangrijkste punten
- 1Het hof sluit zich aan bij de motivering van de rechtbank op grond van artikel 1:253a lid 4 BW jo. 1:377e BW (wijziging zorgregeling bij gewijzigde omstandigheden).
- 2Het kind is bijna meerderjarig en heeft in een gesprek met de voorzitter aangegeven bij beide ouders tijd te willen doorbrengen.
- 3De nieuwe regeling voorziet in een nagenoeg gelijke verdeling: minimaal 6 dagen per veertien dagen bij elke ouder, 2 dagen in onderling overleg.
- 4De regeling is bewust flexibel: het kind hoeft de zes dagen niet aaneengesloten door te brengen en kan rekening houden met schoolrooster, werk of sociale verplichtingen.
- 5Beide ouders worden als gelijkwaardig betrokken en in staat geacht te bieden wat het kind nodig heeft.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert hoe rechters bij bijna-meerderjarige kinderen steeds meer gewicht toekennen aan de eigen wensen en zelfbeschikking van het kind bij het vaststellen van een zorgregeling. De toepassing van artikel 1:253a BW in combinatie met de naderende meerderjarigheid leidt tot een bewust flexibel ingerichte regeling.
Praktische impact
Voor beide ouders betekent dit een juridisch gelijkwaardige zorgregeling waarbij het kind actief mee kan bepalen hoe de dagen worden ingevuld. Dit vereist onderlinge communicatie en samenwerking, maar biedt het kind de ruimte om zijn leven zelfstandig in te richten.
Onderwerp-impact
In zaken met bijna-meerderjarige kinderen zal een flexibele, op de individuele situatie toegesneden co-ouderschapsregeling vaker de voorkeur genieten boven rigide schema's, met expliciete aandacht voor de stem van het kind.
Samenvatting
In deze hoger beroepszaak bij het Gerechtshof Amsterdam stond de zorgregeling voor een minderjarige centraal, nadat de vader de rechtbank had verzocht de bestaande regeling te wijzigen. De rechtbank had al een nieuwe regeling vastgesteld; beide partijen legden de zaak opnieuw voor aan het hof. Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank volledig en maakt de motivering tot de zijne, met aanvullende overwegingen. De juridische grondslag voor wijziging van de zorgregeling is artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW: een bestaande regeling kan worden gewijzigd indien de omstandigheden nadien zijn veranderd of bij de eerdere beslissing van onjuiste gegevens is uitgegaan. Het hof legt bijzonder gewicht op de leeftijd van het kind — over anderhalf jaar meerderjarig — en zijn toenemende vermogen zelfstandig keuzes te maken. Het kind heeft in een gesprek met de voorzitter en griffier aangegeven tijd te willen doorbrengen bij zowel zijn vader als zijn moeder. Gelet hierop stelt het hof een flexibele co-ouderschapsregeling vast: eens per veertien dagen verblijft het kind minimaal zes dagen bij de vader en minimaal zes dagen bij de moeder, terwijl de verdeling van de overige twee dagen in onderling overleg wordt bepaald. Nadrukkelijk is bepaald dat de zes dagen niet aaneengesloten hoeven te zijn, zodat het kind zijn verblijf kan afstemmen op zijn toekomstige schoolrooster, werkuren of sociale verplichtingen. Het hof benadrukt dat beide ouders gelijkwaardig betrokken zijn en het kind kunnen bieden wat hij nodig heeft. De regeling borgt een nagenoeg gelijke zorgverdeling, in lijn met de wensen van het kind en de feitelijke omstandigheden na de examens.