WOZ-restwaarde dagverblijven: lagere percentages niet aannemelijk gemaakt
ECLI:NL:GHAMS:2026:1773, Gerechtshof Amsterdam, 12-03-2026, 25/785
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WOZ; gecorrigeerde vervangingswaarde; taxatiewijzer
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (eiseres) betwist de vastgestelde gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW) van onroerende zaken (dagverblijven) in het kader van de WOZ. Eiseres stelt dat de restwaarde op 10% van de bruto vervangingswaarde moet worden gesteld, afwijkend van de gehanteerde richtlijnen. De heffingsambtenaar handhaaft zijn taxatie op basis van de geldende richtlijnen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is deels gegrond verklaard: de uitspraak op bezwaar is vernietigd voor zover het de proceskosten- of griffierechtvergoeding betreft. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres er niet in is geslaagd de door haar voorgestane lagere restwaardepercentages (10%) aannemelijk te maken, omdat het rapport van [bedrijf 2] onvoldoende inzicht biedt in de totstandkoming van de gehanteerde percentages.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een bestaande jurisprudentielijn en bevat geen nieuwe rechtsvragen, maar is relevant voor WOZ-praktijk bij zorgvastgoed vanwege de herhaalde afwijzing van het rapport van [bedrijf 2] en de bevestiging van de bewijslastverdeling.
Belangrijkste punten
- 1Beide partijen nemen de richtlijnen van [bedrijf 1] als uitgangspunt voor de GVW-vaststelling; de partij die daarvan afwijkt draagt de bewijslast.
- 2Eiseres betwistte uitsluitend de restwaardes en niet de overige taxatie-elementen op basis van de richtlijnen.
- 3Het rapport van [bedrijf 2] toont restwaardepercentages van 0% tot 14,3% (gemiddeld 10%), maar de onderbouwing van deze percentages is onvoldoende transparant bevonden.
- 4In eerdere rechtspraak is meerdere keren geoordeeld dat onduidelijk is hoe de lage restwaardepercentages in vergelijkbare rapporten tot stand zijn gekomen.
- 5De heffingsambtenaar dient wel het griffierecht van € 371 te vergoeden aan eiseres.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn in de WOZ-jurisprudentie dat een belastingplichtige die van de brancherichtlijnen wil afwijken een deugdelijke en transparante onderbouwing moet leveren. Rapporten met onvoldoende inzichtelijke berekeningen volstaan niet als bewijs voor afwijkende restwaardes.
Praktische impact
Voor eigenaren en gebruikers van zorgvastgoed (zoals dagverblijven) betekent dit dat het betwisten van WOZ-restwaardes met brancherapporten alleen kans van slagen heeft als de gehanteerde percentages volledig inzichtelijk en navolgbaar zijn onderbouwd.
Onderwerp-impact
In de zorgsector, waar veel onroerend goed wordt gewaardeerd via de gecorrigeerde vervangingswaarde, beperkt deze uitspraak de mogelijkheid om via gemiddelde restwaardepercentages uit sectoronderzoek een lagere WOZ-waarde af te dwingen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Amsterdam over de WOZ-waardering van onroerende zaken (dagverblijven) op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW). Eiseres – vermoedelijk een zorginstelling – bestrijdt de door de heffingsambtenaar gehanteerde restwaardepercentages en stelt dat de restwaarde van ruwbouw, afbouw en installaties op 10% van de bruto vervangingswaarde moet worden gesteld, in afwijking van de richtlijnen van [bedrijf 1]. Ter ondersteuning legt eiseres een rapport van [bedrijf 2] over, dat op basis van vergelijkingstransacties tot een gemiddeld restwaardepercentage van 10% komt, met uitschieters van 0% tot 14,3%. De rechtbank stelt voorop dat beide partijen de richtlijnen van [bedrijf 1] als uitgangspunt hanteren voor de GVW-vaststelling. Conform vaste Hoge Raad-jurisprudentie rust de bewijslast voor afwijking van die richtlijnen op de partij die afwijkt – in dit geval eiseres voor de lagere restwaardes en de heffingsambtenaar voor de gestelde verlengde levensduur van de ruwbouw. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet is geslaagd in haar bewijslast: het rapport van [bedrijf 2] biedt onvoldoende inzicht in de wijze waarop de lage restwaardepercentages tot stand zijn gekomen. Dit oordeel sluit aan bij eerdere uitspraken waarin hetzelfde rapport of vergelijkbare rapporten van [bedrijf 2] zijn verworpen. Het hoger beroep leidt wel tot een gedeeltelijke gegrondverklaring, namelijk voor zover de uitspraak op bezwaar de vergoeding van proceskosten of griffierecht betreft: de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 371. De WOZ-waarde zelf blijft echter in stand. De uitspraak bevestigt dat sectorbreed onderzoek naar restwaardes alleen bruikbaar is als de achterliggende berekeningen volledig navolgbaar zijn.