Hoge Raad: Facebookberichten minister geen grond voor niet-ontvankelijkheid
ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vordering tot cassatie in het belang der wet; naheffingsaanslag winstbelasting Curaçao; bevoegdheid belastingrechter; procesbelang; beroep op vertrouwensbeginsel ten aanzien van invorderingsbeleid.
Kern van de zaak
Een NV op Curaçao kreeg een naheffingsaanslag opgelegd. Na uitlatingen van de Minister van Financiën van Curaçao op zijn privé-Facebookpagina — inhoudende dat belastingschulden over 2017 en oudere jaren worden 'gecanceld' — stelde de NV dat zij geen belang meer had bij beoordeling van de aanslag. Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, waarna de A-G beroep in cassatie in het belang der wet instelde.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep in het belang der wet ingesteld door A-G Wattel, gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof. De centrale rechtsvraag is of de belastingrechter bevoegd was om op grond van het vertrouwensbeginsel — gebaseerd op informele Facebookberichten van een minister — het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang; de uitkomst van het arrest is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de vordering strekt tot vernietiging van de hofuitspraak zonder nadeel voor de verkregen rechten van partijen.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt via een cassatie in het belang der wet een fundamentele vraag over de bevoegdheidsverdeling tussen belastingrechter en invorderingsrechter, en over de werking van het vertrouwensbeginsel bij informele ministeriële communicatie. Dit heeft structurele betekenis voor de belastingrechtspraak.
Belangrijkste punten
- 1A-G Wattel stelde op 28 maart 2025 beroep in cassatie in het belang der wet in tegen de onherroepelijke hofuitspraak.
- 2Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het vertrouwensbeginsel aan invordering in de weg zou staan, waardoor de NV geen belang meer had.
- 3Het vertrouwen was gebaseerd op berichten van de Minister van Financiën van Curaçao op zijn privé-Facebookpagina over het 'cancelen' van belastingschulden t/m 2017.
- 4De kernvraag is of de belastingrechter bevoegd is het vertrouwensbeginsel (een invorderingskwestie) te beoordelen als grondslag voor niet-ontvankelijkheid.
- 5Een cassatie in het belang der wet brengt geen nadeel toe aan de reeds door partijen verkregen rechten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak is richtinggevend voor de vraag of de belastingrechter bevoegd is invorderingsgerelateerde vertrouwensvragen — in het bijzonder gebaseerd op informele ministeriële uitlatingen — te betrekken bij de beoordeling van het procesbelang. Dit raakt de afbakening tussen de bevoegdheid van de belastingrechter en de civiele invorderingsrechter.
Praktische impact
Voor belastingplichtigen op Curaçao (en in vergelijkbare rechtsstelsels) wordt duidelijk in hoeverre informele beleidscommunicatie via sociale media rechtens relevant vertrouwen kan wekken dat naheffingsaanslagen niet worden ingevorderd. Belastingautoriteiten worden gewaarschuwd over de juridische risico's van onduidelijke of onofficiële communicatie over kwijtschelding van schulden.
Onderwerp-impact
Voor de verhouding tussen overheidshandhaving en belastinginvordering schept deze zaak duidelijkheid over de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel in fiscale procedures, met name wanneer uitlatingen zijn gedaan buiten de formele besluitvormingskanalen om.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal of het Hof als belastingrechter bevoegd was een hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, op de grond dat het vertrouwensbeginsel — gewekt door informele Facebookberichten van de Minister van Financiën van Curaçao — aan invordering van een naheffingsaanslag in de weg staat. De achterliggende feiten betreffen een NV die door het Gerecht in het ongelijk was gesteld ter zake van een naheffingsaanslag. Na de uitspraak van het Gerecht plaatste de Minister op 28 en 29 januari 2023 berichten op zijn privé-Facebookpagina, waarin hij aankondigde dat het debiteurenbestand van de ontvanger zou worden 'opgeschoond' en dat belastingschulden over 2017 en oudere jaren zouden worden 'gecanceld'. De NV beriep zich in hoger beroep op deze uitlatingen en stelde dat zij geen procesbelang meer had bij verdere beoordeling van de aanslag. Het Hof ging daarin mee en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Omdat die uitspraak onherroepelijk was geworden, stelde Advocaat-Generaal P.J. Wattel op 28 maart 2025 beroep in cassatie in het belang der wet in, met als doel de rechtsontwikkeling te dienen zonder de verkregen rechten van partijen aan te tasten. De Hoge Raad buigt zich over de fundamentele vraag of de belastingrechter in dit verband bevoegd is het vertrouwensbeginsel als invorderingsgerelateerd verweer te toetsen, dan wel of dit uitsluitend aan de civiele invorderingsrechter is voorbehouden. Tevens rijst de vraag of informele uitlatingen van een minister op sociale media rechtens relevant vertrouwen kunnen scheppen. De uitkomst van het arrest is op basis van de beschikbare tekst slechts gedeeltelijk kenbaar, maar de vordering strekt tot vernietiging van de hofuitspraak. De zaak is richtinggevend voor de bevoegdheidsverdeling in het belastingprocesrecht en de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel bij informele overheidscommunicatie.