Bewijsvermoeden opzegging aannemingsovereenkomst ontkracht in hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:1139, Gerechtshof Amsterdam, 28-04-2026, 200.266.194/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aannemingsovereenkomst. Bewijswaardering na getuigenverhoren: wat partijen zijn overeenkomen, wat al is betaald, of de aannemer is weggestuurd of weggelopen en in wiens opdracht de loodgieter heeft gewerkt. Beoordeling van de gestelde gebreken en de daaraan verbonden herstelkosten.
Kern van de zaak
Kubus en geïntimeerden twisten over wie op 12 juli 2017 de aannemingsovereenkomst heeft opgezegd: Kubus stelt dat zij werd weggestuurd, geïntimeerden stellen dat Kubus zelf is weggelopen. Beide partijen procedeerden hierover in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.
Beslissing van de rechter
Het hof oordeelt dat het eerder gevestigde bewijsvermoeden ten gunste van Kubus (dat geïntimeerde haar had weggestuurd) inmiddels is ontkracht door tegenbewijs. De doorslaggevende reden is dat de getuigenverklaring van de door Kubus opgevoerde getuige [naam 1] wordt ondermijnd doordat geïntimeerde aannemelijk heeft gemaakt dat een andere persoon aanwezig was bij het bewuste gesprek.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke bewijsrechtelijke beslissing in een individueel bouwgeschil zonder richtinggevende rechtsvragen; de uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten deze zaak.
Belangrijkste punten
- 1Beide partijen droegen de bewijslast van hun eigen stelling over de opzegging op 12 juli 2017.
- 2Het hof had in een tussenarrest een bewijsvermoeden gevestigd ten gunste van Kubus op basis van een brief en een WhatsApp-bericht.
- 3Geïntimeerde is toegelaten tot zowel bewijs van de eigen stelling als tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van Kubus.
- 4Het bewijsvermoeden is ontkracht doordat de identiteit van de aanwezige getuige bij het gesprek van 12 juli 2017 succesvol is betwist.
- 5De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard; het meerdere of anders gevorderde is afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de werking van voorshands bewijsvermoedens in civiele procedures: een gevestigd bewijsvermoeden kan door effectief tegenbewijs worden ontkracht, waarna de oorspronkelijke bewijslastverhouding herleeft. Dit bevestigt de geldende bewijsrechtelijke systematiek van artikel 150 Rv.
Praktische impact
Voor Kubus betekent dit dat haar stelling dat zij door geïntimeerde werd weggestuurd niet langer voorshands bewezen is, wat haar positie in de verdere procedure verzwakt. Geïntimeerden staan er bewijsrechtelijk gunstiger voor dan na het tussenarrest.
Onderwerp-impact
In de bouwsector benadrukt deze uitspraak het belang van zorgvuldige en eenduidige documentatie bij het beëindigen van aannemingsovereenkomsten, omdat onduidelijkheid over wie de opzegging heeft bewerkstelligd tot langdurige en kostbare procedures leidt.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam staan Kubus en geïntimeerden tegenover elkaar in een geschil over de beëindiging van een aannemingsovereenkomst. De centrale vraag is wie op 12 juli 2017 de overeenkomst heeft opgezegd: volgens Kubus werd zij door geïntimeerde weggestuurd, terwijl geïntimeerde stelt dat Kubus zelf is weggelopen. In een eerder tussenarrest had het hof reeds geoordeeld dat een aantal grieven faalden, maar dat ten aanzien van de opzegging bewijslevering noodzakelijk was. Op basis van een brief van 1 augustus 2017 en een WhatsApp-bericht van 19 juli 2017 had het hof voorshands bewezen geacht dat Kubus' lezing juist was. Geïntimeerde werd vervolgens toegelaten tot zowel bewijs van de eigen stelling als tegenbewijs. In de verdere bewijslevering heeft geïntimeerde de geloofwaardigheid van de door Kubus opgevoerde getuige [naam 1] succesvol ondermijnd. Kubus had een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 1], inhoudend dat hij aanwezig was toen [appellant 1] door [geïntimeerde 2] van het werk werd weggestuurd. Geïntimeerde betwistte echter dat het [naam 1] was die aanwezig was bij het bewuste gesprek; volgens geïntimeerde was dat een andere medewerker, zichtbaar op een eerder overgelegde foto. Dit bleek te gaan om [naam 2]. Het hof oordeelt op grond hiervan dat het bewijsvermoeden ten gunste van Kubus is ontkracht. De uitkomst is dat Kubus' stelling niet langer voorshands bewezen wordt geacht, hetgeen haar positie in de procedure aanzienlijk verzwakt. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meerdere of anders gevorderde wordt afgewezen. De zaak illustreert het belang van betrouwbare en consistente getuigenverklaringen bij bewijslevering over de beëindiging van bouwcontracten.