Mishandeling militair tijdens weekend-break geen dienstongeval
ECLI:NL:CRVB:2026:823, Centrale Raad van Beroep, 18-06-2026, 24/1501 MPW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Geen sprake van een bedrijfsongeval. Deelname aan de stapavond had een vrijwillig karakter en is niet gelijk te stellen met het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden. Bevestiging van de aangevallen uitspraak.
Kern van de zaak
Een militair werd tijdens een vrijwillige weekend-break na een militaire oefening in het buitenland mishandeld door een collega op de verzamelplaats voor de busrit terug naar de kazerne. Hij stelde dat sprake was van een bedrijfsongeval en maakte bezwaar tegen de afwijzende beslissing van de staatssecretaris van Defensie.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het incident niet als bedrijfs- of dienstongeval kan worden aangemerkt. Doorslaggevend is dat deelname aan de weekend-break volledig vrijwillig was en niet plaatsvond tijdens de uitoefening van opgedragen werkzaamheden of dienstgerelateerde activiteiten in de zin van het Besluit AO/IV.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een bestaande, vaste lijn in het militair ambtenarenrecht en heeft geen fundamenteel nieuwe rechtsvraag beantwoord; de impact beperkt zich tot de directe betrokkene en vergelijkbare individuele gevallen.
Belangrijkste punten
- 1De weekend-break was een vrijwillige ontspanningsmogelijkheid na de militaire oefening, geen dienstopdracht.
- 2Artikel 2, vierde lid, onder a, b en c van het Besluit AO/IV vereist een opdracht of dienstverband met de activiteit; hiervan was geen sprake.
- 3Het feit dat de werkgever (Defensie) de weekend-break faciliteerde (bus, toegestaan alcoholgebruik) maakt de activiteit nog niet tot een dienstactiviteit.
- 4Zowel de staatssecretaris, de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep komen tot hetzelfde oordeel: geen dienstongeval.
- 5De uitspraak is gebaseerd op een beperkt beschikbare tekst; de volledige motivering van de Raad is niet volledig weergegeven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat het faciliteren van een vrijwillige ontspanningsactiviteit door Defensie onvoldoende is om een incident daartijdens als dienstongeval te kwalificeren onder het Besluit AO/IV. De grens tussen vrijwillige activiteiten en dienstuitoefening blijft scherp.
Praktische impact
Militairen die deelnemen aan door Defensie gefaciliteerde maar vrijwillige activiteiten buiten de directe dienstvervulling, komen bij letsel niet automatisch in aanmerking voor de militaire invaliditeitsregelingen; zij dragen het risico zelf.
Onderwerp-impact
Voor defensiepersoneel en ambtelijke rechtspraktijk benadrukt dit dat de aard en het verplichtende karakter van een activiteit bepalend zijn voor de beschermingsomvang van dienstongeval-regelingen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een militair die tijdens een buitenlandse militaire oefening de gelegenheid kreeg deel te nemen aan een vrijwillige weekend-break. Op de verzamelplaats voor de busrit terug naar de kazerne werd hij door een collega mishandeld en liep hij diverse medische klachten op. De staatssecretaris van Defensie weigerde het incident als bedrijfs- of dienstongeval aan te merken, omdat de weekend-break geen verplichte dienstopdracht was en de mishandeling niet plaatsvond tijdens de uitoefening van opgedragen werkzaamheden of dienstgerelateerde activiteiten in de zin van artikel 2, vierde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen (Besluit AO/IV). Het bezwaar en het daaropvolgende beroep bij de rechtbank werden beide ongegrond verklaard. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep handhaafde de Raad dit standpunt. De juridische kern van de zaak draait om de vraag of een door de werkgever gefaciliteerde maar volledig vrijwillige ontspanningsactiviteit voldoende verband houdt met de militaire dienst om bij een incident aanspraak te geven op de militaire invaliditeitsregelingen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend: het faciliteren van de weekend-break — inclusief het beschikbaar stellen van een bus en het toestaan van alcoholgebruik — maakt de activiteit niet tot een diensthandeling of dienstactiviteit. Nu er geen expliciete opdracht was en deelname geheel vrijwillig geschiedde, ontbreekt het vereiste causale en functionele verband met de dienst. De uitspraak bevestigt de bestaande strikte afbakening tussen de uitoefening van de militaire dienst en privéactiviteiten die plaatsvinden in de marge van een dienstperiode. Voor militairen heeft dit tot gevolg dat letsel opgelopen tijdens dergelijke vrijwillige activiteiten niet wordt gedekt door de bijzondere militaire beschermingsregelingen.