CRvB: GGD niet aansprakelijk voor rugletsel ambulancemedewerker
ECLI:NL:CRVB:2026:934, Centrale Raad van Beroep, 16-07-2026, 24/877 AW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht. Dienstongeval. Het dagelijks bestuur had ten tijde van het tweede incident de maatregelen getroffen die in de gegeven situatie van hem konden worden gevergd en is niet aansprakelijk is voor de (rest)schade die het gevolg is van dat incident.
Kern van de zaak
Een medewerker van GGD Brabant-Zuidoost liep in 2010 rugletsel op tijdens het verplaatsen van een zware patiënt en werd arbeidsongeschikt. Zij stelde haar werkgever aansprakelijk voor materiële en immateriële schade wegens schending van de zorgplicht. Het dagelijks bestuur wees het verzoek af in 2020.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van 3 februari 2020 ongegrond. De doorslaggevende reden is dat het dagelijks bestuur zijn zorgplicht niet heeft geschonden, in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank die zich baseerde op een rapport uit 2007.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor het ambtenarenrecht en de zorgplichtproblematiek bij dienstvervallen, maar betreft een feitelijk oordeel in een individuele zaak zonder fundamentele nieuwe rechtsregels; de impact blijft beperkt tot de betrokken partijen en vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Twee incidenten in 2010 erkend als dienstongeval; causaal verband met arbeidsongeschiktheid aanvaard door het dagelijks bestuur
- 2Werkneemster stelde werkgever aansprakelijk voor schending zorgplicht na verzoek om schadevergoeding in 2015
- 3Rechtbank oordeelde dat zorgplicht was geschonden op basis van Locomotion-rapport uit 2007, en verklaarde beroep gegrond
- 4CRvB vernietigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep ongegrond: geen schending zorgplicht vastgesteld
- 5Procedure liep via rechtstreeks beroep ex artikel 7:1a Awb, zonder bezwaarfase
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de hoge drempel voor het aannemen van schending van de werkgeversaansprakelijkheid (zorgplicht) in het ambtenarenrecht bij bedrijfsongevallen, ook wanneer eerder een dienstongeval is erkend. Het enkele bestaan van een kritisch rapport over arbeidsomstandigheden is onvoldoende om zorgplichtschending aan te nemen.
Praktische impact
Voor de betrokken medewerker betekent dit dat de gevorderde aanvullende schadevergoeding niet wordt toegewezen, ondanks erkenning van het dienstongeval en doorbetaling van salaris. Werkgevers in de publieke sector kunnen hieruit afleiden dat erkenning van een dienstongeval niet automatisch aansprakelijkheid voor aanvullende schade meebrengt.
Onderwerp-impact
In de zorgsector, waar fysieke belasting bij ambulancepersoneel en GGD-medewerkers een bekend risico is, benadrukt deze uitspraak dat werkgevers moeten kunnen aantonen dat zij adequate maatregelen hebben getroffen, maar dat niet elke schade bij een erkend dienstongeval leidt tot aansprakelijkheid.
Samenvatting
Deze zaak betreft een medewerker van GGD Brabant-Zuidoost die in 2010 bij twee incidenten letsel opliep, waaronder ernstig rugletsel bij het verplaatsen van een zware patiënt op een brancard. Het dagelijks bestuur erkende beide incidenten als dienstongeval en aanvaardde het causale verband met haar arbeidsongeschiktheid; haar salaris werd doorbetaald en zij ontving een aanvullende uitkering. In 2015 stelde de medewerker het dagelijks bestuur aansprakelijk voor materiële en immateriële schade wegens schending van de zorgplicht als werkgever. Dit verzoek werd in februari 2020 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep hiertegen gegrond en oordeelde dat de zorgplicht wél was geschonden, mede op basis van een Locomotion-rapport uit 2007 waaruit zou blijken dat fundamentelere aandacht voor arbeidsomstandigheden noodzakelijk was. De Centrale Raad van Beroep komt tot een tegengesteld oordeel. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van 3 februari 2020 alsnog ongegrond. De Raad oordeelt dat het dagelijks bestuur zijn zorgplicht niet heeft geschonden. Het enkele bestaan van een kritisch rapport over arbeidsomstandigheden uit 2007 is kennelijk onvoldoende om drie jaar later een schending van de zorgplicht bij een concreet incident vast te stellen. Juridisch is de uitspraak relevant omdat zij illustreert dat erkenning van een dienstongeval en doorbetaling van salaris niet automatisch leiden tot verdergaande aansprakelijkheid voor aanvullende schade. De drempel voor het aannemen van zorgplichtschending in het ambtenarenrecht blijft hoog. Voor de betrokken medewerker is de uitkomst ongunstig: ondanks jarenlange arbeidsongeschiktheid na een erkend werkongeval wordt geen aanvullende schadevergoeding toegekend. Voor publiekrechtelijke werkgevers in de zorg biedt de uitspraak steun voor het standpunt dat een proactief beleid op het gebied van arbeidsomstandigheden, ook al is dat niet perfect, niet per definitie tot aansprakelijkheid leidt wanneer een incident zich toch voordoet.