Stichting niet-ontvankelijk in wachtgeldaanvraag voor ex-werknemers
ECLI:NL:RVS:2026:4126, Raad van State, 15-07-2026, 202502669/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 20 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn de aanvraag van de stichting tot toekenning van privatiseringswachtgeld aan negen van haar voormalige werknemers niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 27 januari 2020 heeft college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 25 mei 2000 heeft de gemeenteraad van Alphen aan den Rijn besloten om de taken van de afdeling sport en recreatie te privatiseren. Vanwege deze privatisering heeft het college de ambtenaren van deze afdeling met ingang van 1 juli 2001 eervol ontslag verleend en zijn zij aansluitend op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij de stichting. In het kader van deze overgang is het Sociaal Plan Sport en Recreatie Alphen aan den Rijn opgesteld. Op 1 januari 2016 zijn deze medewerkers ontslagen bij de stichting vanwege het door de gemeente stopzetten van de subsidie na een nieuwe openbare aanbesteding. Het college heeft de aanvraag van de stichting om wachtgeld niet-ontvankelijk verklaard omdat de stichting geen belanghebbende is bij de vraag haar of voormalige werknemers aanspraak hebben op privatiseringswachtgeld.
Kern van de zaak
Na privatisering van de afdeling sport en recreatie van de gemeente Alphen aan den Rijn werden ambtenaren ontslagen en bij een stichting in dienst genomen. Toen de gemeente in 2016 de subsidie stopzette, verzocht de stichting om privatiseringswachtgeld voor haar voormalige werknemers. Het college verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat de stichting geen rechtstreeks belanghebbende is.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank: het beroep van de stichting wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring blijft in stand. Het doorslaggevende argument is dat de rechten uit het sociaal plan zijn toegekend aan de voormalige werknemers zelf, waardoor het belang van de stichting slechts indirect is en zij geen rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, tweede lid, Awb.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste jurisprudentie over het belanghebbende-vereiste van de Awb en stelt geen nieuwe rechtsregels; de betekenis is beperkt tot de specifieke context van privatiseringswachtgeld en vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Een stichting die namens voormalige werknemers wachtgeld aanvraagt, is geen rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 1:2, tweede lid, Awb.
- 2Rechten uit een sociaal plan komen toe aan de werknemers zelf, niet aan de werkgever-stichting; het belang van de stichting is daardoor slechts indirect.
- 3Een subsidierelatie met de gemeente maakt de stichting niet automatisch belanghebbende bij een besluit over wachtgeldrechten van haar (voormalige) werknemers.
- 4De hoger beroepsgronden waren een herhaling van de beroepsgronden zonder nieuwe argumenten, hetgeen tot bevestiging van de rechtbankuitspraak leidt.
- 5De Afdeling sluit aan bij de motivering van de rechtbank en voegt hier slechts een aanvullende overweging over de subsidierelatie aan toe.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het belanghebbende-vereiste uit artikel 1:2 Awb: een indirect financieel of organisatorisch belang is onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt bij besluiten die primair rechten van derden betreffen. Dit heeft betekenis voor alle gevallen waarin werkgevers of rechtspersonen namens werknemers bestuursrechtelijke procedures willen voeren.
Praktische impact
Voormalige werknemers van de stichting kunnen alleen zelf bezwaar maken en beroep instellen om aanspraak te maken op privatiseringswachtgeld; de stichting kan dit niet voor hen doen via het bestuursrecht. Dit kan voor de betrokken werknemers een drempel opwerpen als zij zelf geen procedures hebben gestart.
Onderwerp-impact
In de context van privatisering van overheidstaken benadrukt deze uitspraak dat de overgang van ambtenaren naar een privaatrechtelijke werkgever niet meebrengt dat die werkgever ook bestuursrechtelijke aanspraken namens die werknemers kan behartigen.
Samenvatting
In deze zaak staat de vraag centraal of een stichting die na privatisering van gemeentelijke taken als werkgever is opgetreden, als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit over privatiseringswachtgeld voor haar voormalige werknemers. De achtergrond is als volgt: de gemeente Alphen aan den Rijn besloot in 2000 de afdeling sport en recreatie te privatiseren. De betrokken ambtenaren ontvingen eervol ontslag per 1 juli 2001 en traden vervolgens op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst bij een stichting. In het kader van deze overgang werd een Sociaal Plan opgesteld. Toen de gemeente in 2016 de subsidie aan de stichting stopzette na een nieuwe aanbesteding, werden de medewerkers ontslagen. De stichting diende vervolgens een aanvraag in voor privatiseringswachtgeld, maar het college verklaarde haar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van rechtstreeks belang. De rechtbank bevestigde dit oordeel: de rechten uit het sociaal plan zijn toegekend aan de voormalige werknemers zelf, niet aan de stichting. Het belang van de stichting is daarmee slechts indirect, en op grond van artikel 8:1 juncto artikel 7:1 en artikel 1:2, tweede lid, Awb kan uitsluitend een rechtstreeks belanghebbende bezwaar maken. In hoger beroep bij de Raad van State herhaalde de stichting haar eerdere gronden zonder nieuwe argumenten aan te dragen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig en voegt daar aan toe dat ook de subsidierelatie van de stichting met de gemeente haar geen rechtstreeks belang verleent bij de wachtgeldrechten van de individuele werknemers. Het hoger beroep faalt daarmee. De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bestuursrechtelijke procedures over individuele rechten alleen door de rechthebbenden zelf kunnen worden gevoerd.