JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:3328Middel38/100

Veiligheidsonderzoek militair onvoldoende gemotiveerd door minister

ECLI:NL:RVS:2026:3328, Raad van State, 10-06-2026, 202304866/3/A3

Raad van StateUitspraak: 10 juni 2026Publicatie: 10 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202304866/3/A3
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Motiveringsplicht
Vertrouwensfunctie
Veiligheidsonderzoek
Krijgsmacht
Geheimhoudingskamer

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij tussenuitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2147, heeft de Afdeling de minister van Defensie opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 19 januari 2022 te herstellen of in plaats daarvan een gewijzigd of nieuw besluit te nemen, de uitkomst aan de Afdeling mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de motivering en het onderzoek van de minister niet toereikend waren om redelijkerwijs tot het standpunt te komen dat er onvoldoende waarborgen voor getrouwelijke plichtsvervulling waren. Zo heeft de minister niet voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom en waarin de situatie van [appellant] zo anders is dan de situaties die naar voren komen in de overgelegde verklaringen van de zus, de ex-zwager van [partij B] en een luitenant-kolonel buiten dienst.

Kern van de zaak

Een militair (appellant) is geweigerd voor een vertrouwensfunctie op basis van een veiligheidsonderzoek. De minister achtte de waarborgen voor getrouwelijke plichtsvervulling onvoldoende, mede vanwege familierelaties en omgevingsfactoren. De appellant bestrijdt dit oordeel bij de Raad van State.

Beslissing van de rechter

Het beroep tegen het nieuwe besluit is ongegrond verklaard: de minister heeft het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek (ontoereikende motivering en onderzoek) in het nieuwe besluit hersteld. In de tussenuitspraak had de Afdeling geoordeeld dat de oorspronkelijke motivering onvoldoende was, maar na herstel van dat gebrek houdt het besluit stand.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft betekenis voor de praktijk van veiligheidsonderzoeken bij vertrouwensfuncties en verduidelijkt de motiveringsplicht, maar betreft een einduitspraak in een individuele zaak na herstel van gebreken en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1De Afdeling oordeelde in de tussenuitspraak (21 mei 2025) dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de situatie van appellant verschilt van vergelijkbare gevallen uit overgelegde getuigenverklaringen.
  • 2De minister had erkend dat appellant zeer capabel is en had waardering uitgesproken voor zijn staat van dienst, wat de motivering van onvoldoende waarborgen extra problematisch maakte.
  • 3Geheime stukken waren zonder nadere toelichting van de minister niet voldoende om te onderbouwen waarom er onvoldoende waarborgen bestonden.
  • 4Na de tussenuitspraak heeft de minister een nieuw besluit genomen waarbij het geconstateerde motiveringsgebrek is hersteld; het beroep daartegen is ongegrond.
  • 5Appellant betwist ook feitelijke onjuistheden in een beslissing van de geheimhoudingskamer, waarbij hij terecht aanvoert dat de inhoudelijke beoordeling van herstel uitsluitend aan de zittingskamer toekomt.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij veiligheidsonderzoeken in het kader van vertrouwensfuncties de minister een deugdelijke, op de individuele persoon toegespitste motivering moet geven en niet kan volstaan met algemene omstandigheden of geheime stukken zonder nadere toelichting. De rol en bevoegdheidsgrenzen van de geheimhoudingskamer ten opzichte van de zittingskamer worden verduidelijkt.

Praktische impact

Voor de appellant betekent de einduitspraak dat de weigering van toegang tot de vertrouwensfunctie na herstel van het motiveringsgebrek alsnog in stand blijft. Militairen en andere functionarissen in vergelijkbare situaties kunnen hieruit afleiden dat een zorgvuldig en geïndividualiseerd veiligheidsonderzoek vereist is, maar dat herstel van gebreken door de minister mogelijk is.

Onderwerp-impact

In de context van veiligheid en overheid onderstreept deze zaak het belang van transparante en individueel gemotiveerde besluitvorming bij de toegang tot vertrouwensfuncties binnen de krijgsmacht.

Samenvatting

Deze einduitspraak van de Raad van State betreft een militair die werd geweigerd voor een vertrouwensfunctie nadat de minister had geoordeeld dat er onvoldoende waarborgen bestonden voor getrouwelijke plichtsvervulling. De zaak maakt deel uit van een drietal samenhangende hoger beroepsprocedures die op dezelfde zitting zijn behandeld en waarvoor op 21 mei 2025 een gezamenlijke tussenuitspraak is gedaan. In de tussenuitspraak constateerde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister tekortschoot in motivering en onderzoek. Concreet had de minister onvoldoende uitgelegd waarom de situatie van appellant wezenlijk verschilde van vergelijkbare gevallen die naar voren kwamen in getuigenverklaringen van familieleden en een luitenant-kolonel buiten dienst. Ook de geheime stukken boden zonder nadere toelichting geen afdoende grondslag voor het oordeel dat er onvoldoende waarborgen waren. Opvallend daarbij was dat de minister zelf de capaciteiten en staat van dienst van appellant had geprezen, wat de motivering van het weigeringsbesluit extra kwetsbaar maakte. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de minister een nieuw besluit genomen. De Afdeling oordeelt in de einduitspraak dat het geconstateerde motiveringsgebrek daarmee is hersteld en verklaart het beroep van appellant tegen dit nieuwe besluit ongegrond. De weigering blijft dus in stand. Daarnaast betwist appellant feitelijke onjuistheden in een beslissing van de geheimhoudingskamer van 23 oktober 2025, die ten onrechte suggereerde dat de minister het gebrek al had hersteld. De Afdeling bevestigt daarmee impliciet dat de beoordeling of een gebrek is hersteld, uitsluitend aan de zittingskamer toekomt en niet aan de geheimhoudingskamer. De uitspraak onderstreept het belang van een geïndividualiseerde en deugdelijk gemotiveerde besluitvorming bij veiligheidsonderzoeken voor vertrouwensfuncties.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:RBGEL:2026:5525Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBGEL:2026:5525, Rechtbank Gelderland, 13-07-2026, AWB-25_4431 e.a.

Rechtbank Gelderland13 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied