VGB-weigering Defensie-analist alsnog hersteld na gebrekkige motivering
ECLI:NL:RVS:2026:3329, Raad van State, 10-06-2026, 202300780/3/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij tussenuitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2148, heeft de Afdeling de minister van Defensie opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 16 mei 2022 te herstellen of in plaats daarvan een gewijzigd of nieuw besluit te nemen, de uitkomst aan de Afdeling mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de motivering en het onderzoek van de minister niet toereikend waren om redelijkerwijs tot het standpunt te komen dat er onvoldoende waarborgen voor getrouwelijke plichtsvervulling waren. Zo heeft de minister niet voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom en waarin de situatie van [appellant] zo anders is dan de situatie die naar voren komt in de verklaring van zijn toenmalige zwager. Daarmee is ook niet voldoende gemotiveerd dat hieruit volgt dat er gezien het samenstel van omstandigheden onvoldoende waarborgen zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen vanwege het risico van ongewenste beïnvloeding.
Kern van de zaak
Een medewerker van Defensie werd een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) op veiligheidsmachtigingsniveau A geweigerd, waardoor hij tijdelijk anders werd aangesteld bij het JISTARC. Hij vocht de weigering aan omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom er onvoldoende waarborgen voor getrouwelijke plichtsvervulling waren.
Beslissing van de rechter
Het beroep van appellant tegen het nieuwe besluit is ongegrond verklaard, omdat de minister het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek inmiddels heeft hersteld. De doorslaggevende reden is dat de minister in het nieuwe besluit alsnog afdoende heeft onderbouwd waarom de waarborgen voor getrouwelijke plichtsvervulling onvoldoende zijn.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor de motiveringsplicht bij VGB-weigeringen en bevestigt bestaande jurisprudentie over individuele afweging, maar stelt geen fundamenteel nieuw rechtsregel vast en betreft een einduitspraak na herstel van een eerder geconstateerd gebrek.
Belangrijkste punten
- 1De minister had in het oorspronkelijke besluit onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom de situatie van appellant verschilde van de verklaring van zijn toenmalige zwager.
- 2Meerdere individuele omstandigheden ten gunste van appellant waren niet kenbaar meegewogen in de oorspronkelijke VGB-weigering.
- 3De Afdeling bestuursrechtspraak deed tussenuitspraak op 21 mei 2025 en stelde de minister in de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen.
- 4Na herstel van het gebrek door de minister is het beroep in de einduitspraak ongegrond verklaard.
- 5Appellant betoogde tevergeefs dat de beslissing van de geheimhoudingskamer van 23 oktober 2025 feitelijke onjuistheden bevatte over de vraag of het gebrek was hersteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij VGB-weigeringen een individuele en kenbare afweging vereist is, waarbij algemene omstandigheden en geheime stukken alleen niet volstaan als motivering. De tussenuitspraakprocedure biedt bestuursorganen de mogelijkheid motiveringsgebreken te herstellen.
Praktische impact
Defensiemedewerkers aan wie een VGB wordt geweigerd, kunnen met succes aanvechten dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met individuele gunstige omstandigheden. Echter, na herstel van het motiveringsgebrek biedt een hernieuwd beroep doorgaans geen soelaas.
Onderwerp-impact
Voor veiligheidsscreeningsprocedures bij defensie en inlichtingendiensten geldt dat de motiveringsplicht zwaar weegt; standaard verwijzingen naar algemene risico's zijn onvoldoende zonder individuele duiding.
Samenvatting
Deze einduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vormt de afronding van een procedure over de weigering van een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) op veiligheidsmachtigingsniveau A aan een medewerker van het Joint ISTAR Commando (JISTARC), een inlichtingeneenheid van Defensie. Door de weigering was appellant tijdelijk in een andere functie aangesteld als onderzoeker en analist binnen het Kenniscentrum van JISTARC. Appellant bestreed de VGB-weigering omdat de minister onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd waarom er in zijn specifieke geval onvoldoende waarborgen waren voor getrouwelijke plichtsvervulling. In de tussenuitspraak van 21 mei 2025 gaf de Afdeling de minister gelijk in die kritiek: de minister had onvoldoende uitgelegd waarom de situatie van appellant wezenlijk verschilde van de verklaring van zijn toenmalige zwager, had meerdere individuele gunstige omstandigheden niet kenbaar meegewogen, en had niet afdoende toegelicht waarom geheime stukken van algemene aard in dit concrete geval tot de conclusie leidden dat er een risico op ongewenste beïnvloeding bestond. De minister kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In de einduitspraak oordeelt de Afdeling dat de minister dat gebrek inmiddels heeft hersteld en verklaart zij het beroep van appellant tegen het nieuwe besluit ongegrond. Appellants betoog dat de beslissing van de geheimhoudingskamer van 23 oktober 2025 feitelijke onjuistheden bevatte en ten onrechte een inhoudelijk oordeel over het herstel van het gebrek gaf, wordt behandeld maar leidt niet tot een andere uitkomst. De uitspraak onderstreept dat bij VGB-procedures een individuele en kenbare motivering vereist is en dat verwijzingen naar algemene omstandigheden of niet nader toegelichte geheime stukken onvoldoende zijn, maar dat na adequaat herstel door het bestuursorgaan de rechterlijke toetsing kan leiden tot ongegrondverklaring van het beroep.