Schadevergoeding Wajong-ontvanger terecht afgewezen door UWV
ECLI:NL:CRVB:2026:566, Centrale Raad van Beroep, 08-05-2026, 25/45 BESLU
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade terecht. Appellant stelt dat hij vanwege drie beweerdelijk onrechtmatige besluiten van het Uwv geldschulden heeft moeten maken, en belastingschade en geestelijk letsel heeft geleden. De Raad komt niet toe aan de beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten, reeds omdat de schadeposten die appellant heeft gesteld niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Kern van de zaak
Een Wajong-ontvanger verzoekt om schadevergoeding van het UWV na een reeks besluiten over terugvordering en stopzetting van zijn uitkering in de periode 2016-2022. Appellant stelde kosten, belastingschade en geestelijk letsel te hebben geleden als gevolg van de besluiten. Het UWV wees het schadeverzoek af, waarop appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en oordeelt dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat de gestelde schadeposten (kosten, belastingschade en geestelijk letsel) niet voor vergoeding in aanmerking komen, waardoor de Raad niet eens toekomt aan de beoordeling van de rechtmatigheid van de onderliggende besluiten.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande bestuursrechtelijke kaders voor schadevergoeding en stelt geen nieuwe rechtsregels. De zaak is casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke feitenconstellatie.
Belangrijkste punten
- 1Appellant ontving Wajong-uitkering sinds 1996; uitbetaling was gestopt van juni 2018 tot april 2020 wegens verdiensten als bestuurder van een Stichting.
- 2Na faillissement van de Stichting in 2020 vroeg appellant overname betalingsverplichtingen aan, maar dit werd afgewezen na onderzoek naar verzekeringsplicht.
- 3UWV vorderde € 25.585,85 terug wegens ten onrechte ontvangen Wajong-uitkering over 1 juli 2016 tot 31 mei 2018.
- 4De Raad toetst de rechtmatigheid van de besluiten niet, omdat de gestelde schadeposten (kosten, belastingschade, geestelijk letsel) sowieso niet voor vergoeding in aanmerking komen.
- 5Bestuursrechterlijke schadevergoeding vereist een onrechtmatig besluit of onrechtmatige handeling; bij niet-vergoedbare schadeposten strandt de vordering ongeacht de rechtmatigheid van de besluiten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een verzoek om bestuursrechtelijke schadevergoeding reeds kan worden afgewezen op grond van de aard van de gestelde schadeposten, zonder dat de rechter hoeft te oordelen over de rechtmatigheid van de onderliggende besluiten. Dit illustreert het belang van het onderbouwen van concrete, vergoedbare schade bij schadeverzoeken.
Praktische impact
Voor appellant betekent de uitspraak dat hij geen schadevergoeding ontvangt voor de door hem gestelde kosten, belastingschade en geestelijk letsel. Wajong-ontvangers die schadevergoeding willen vorderen dienen concrete, juridisch erkende schadeposten te stellen en te onderbouwen.
Onderwerp-impact
In het domein van sociale zekerheid en Wajong-uitkeringen verduidelijkt deze uitspraak de grenzen van bestuursrechtelijke schadevergoeding bij geschillen rondom terugvordering en stopzetting van uitkeringen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een appellant die sinds 1996 een Wajong-uitkering ontvangt. Van juni 2018 tot april 2020 werd zijn uitkering niet uitbetaald vanwege zijn verdiensten als bestuurder van een Stichting. Na het faillissement van die Stichting in 2020 diende appellant een verzoek in om overname van de betalingsverplichtingen van zijn betalingsonmachtige werkgever, maar dit werd door het UWV afgewezen na onderzoek naar zijn verzekeringsplicht. Daarnaast vorderde het UWV een bedrag van € 25.585,85 terug wegens ten onrechte ontvangen Wajong-uitkering over de periode juli 2016 tot en met mei 2018, en werd de uitkering over een deel van 2019-2020 niet uitbetaald. Appellant verzocht om schadevergoeding en stelde daartoe kosten, belastingschade en geestelijk letsel te hebben geleden als gevolg van de besluiten van het UWV. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of het UWV het schadeverzoek terecht had afgewezen, en of de Centrale Raad van Beroep de rechtmatigheid van de onderliggende besluiten moest beoordelen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de afwijzing van het schadeverzoek. De Raad komt niet toe aan de inhoudelijke toetsing van de besluiten, omdat de gestelde schadeposten — kosten, belastingschade en geestelijk letsel — reeds niet voor vergoeding in aanmerking komen. De motivering is dat bestuursrechtelijke schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb vereist dat de geleden schade het gevolg is van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige handeling, én dat de schade zelf een vergoedbare aard heeft. Nu aan dat laatste vereiste niet is voldaan, heeft de rechtbank het verzoek terecht afgewezen. De uitspraak onderstreept dat appellanten bij schadeverzoeken concrete en juridisch erkende schadeposten moeten aanvoeren om überhaupt aan inhoudelijke toetsing toe te komen.