Vrouw met chronische aandoening krijgt meer Wmo-hulp na beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:564, Centrale Raad van Beroep, 23-04-2026, 24/2768 WMO15
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing verzoek om schadevergoeding blijft in stand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een aantasting in de persoon in dit geval niet zonder meer kan worden aangenomen. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de in 2.1 en 2.2 genoemde uitspraken, hetgeen ook meebrengt dat tussen partijen vaststaat dat het college de extra zorg voor de kinderen – en de vraag of er vanuit de Wmo (tijdelijk) aanvullende ondersteuning nodig is – onvoldoende heeft onderzocht. Er is dus sprake van schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Bij een schending als de onderhavige van deze normen liggen de nadelige gevolgen voor de betrokkene niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bij haar (psychische) schade is ontstaan door de besluitvorming van het college. De enkele stelling dat haar echtgenoot door die besluitvorming overbelast is geraakt is onvoldoende.
Kern van de zaak
Een vrouw met het Arnold Chiari Syndroom en twee kinderen met medische beperkingen verzocht de gemeente om huishoudelijke hulp en aanvullende individuele ondersteuning via de Wmo 2015. De gemeente kende aanvankelijk geen voorziening toe; na bezwaar volgde een beperkte toekenning van 3 uur en 45 minuten per week HbH. De vrouw ging in hoger beroep, waarbij de schadevergoedingsvordering nog resteerde na een gedeeltelijke schikking.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep deed uitspraak in hoger beroep; partijen troffen voor het merendeel een schikking, zodat alleen de schadevergoedingskwestie ter beoordeling voorlag. De doorslaggevende reden voor de beperkte toekenning van HbH was de gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar door het college, waarbij de gemeente erkende dat enige ondersteuning noodzakelijk was maar aanvullende individuele ondersteuning bleef afgewezen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is sterk casuïstisch en grotendeels afgedaan via schikking, waardoor beperkte precedentwerking uitgaat. De juridische kaders worden bevestigd maar niet vernieuwd.
Belangrijkste punten
- 1Appellante heeft Arnold Chiari Syndroom type 1 en complexe gezinssituatie met twee kinderen met medische beperkingen.
- 2Gemeente kende na bezwaar slechts 3 uur en 45 minuten per week hulp bij het huishouden toe via pgb, aanvullende individuele ondersteuning (AIO) werd geweigerd.
- 3Partijen hebben grotendeels een schikking getroffen; alleen schadevergoeding resteerde voor de Raad.
- 4Jongste zoon verkreeg separaat 14 uur per week jeugdhulp via pgb.
- 5De uitspraak verwijst naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad zelf over Wmo-voorzieningen en schadevergoeding.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat bij complexe gezinssituaties met meervoudige beperkingen de gemeente afzonderlijk dient te beoordelen welke maatwerkvoorzieningen noodzakelijk zijn onder de Wmo 2015. De mogelijkheid van schadevergoeding bij onrechtmatige weigering van Wmo-ondersteuning blijft overeind op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Praktische impact
Voor appellante betekent de schikking dat zij gedeeltelijk compensatie ontvangt; de toegekende HbH via pgb biedt haar enige ondersteuning bij het huishouden, maar de weigering van AIO blijft een belemmering in haar complexe zorgsituatie. Andere Wmo-aanvragers met meervoudige beperkingen en mantelzorgsituaties kunnen zich op deze uitkomst beroepen bij geschillen over de omvang van maatwerkvoorzieningen.
Onderwerp-impact
Voor de zorgsector verduidelijkt de uitspraak dat gemeenten bij de beoordeling van Wmo-aanvragen rekening moeten houden met de cumulatieve belasting van een huishouden waar meerdere personen beperkingen hebben. De combinatie van eigen medische klachten van de aanvrager en de zorglast voor kinderen met beperkingen dient integraal te worden beoordeeld.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de vraag in hoeverre een vrouw met het Arnold Chiari Syndroom en een zwaar belast huishouden – met twee kinderen met ernstige medische aandoeningen en een partner die zijn werk verloor – recht heeft op maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Appellante diende in 2022 een verzoek in bij de gemeente voor hulp bij het huishouden (HbH) en aanvullende individuele ondersteuning (AIO). De gemeente wees beide aanvragen aanvankelijk af. Na bezwaar kende de gemeente alsnog 3 uur en 45 minuten per week HbH toe in de vorm van een persoonsgebonden budget, maar handhaafde de weigering van AIO. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Gedurende de procedure bereikten partijen grotendeels een schikking, zodat uitsluitend de vordering tot schadevergoeding voor rekening van de rechter bleef. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de resterende schadevergoedingskwestie aan de hand van vaste rechtspraak van de Hoge Raad over onrechtmatige overheidsdaad in het sociale zekerheidsrecht. De uitspraak bevestigt dat gemeenten bij de beoordeling van Wmo-aanvragen een integraal beeld moeten vormen van de situatie in het huishouden, inclusief de zorglast die voortkomt uit de beperkingen van andere gezinsleden. De afzonderlijke toekenning van 14 uur jeugdhulp per week voor de jongste zoon via een pgb illustreert dat de kinderen wel afzonderlijk zijn erkend als zorgbehoevend. Voor de rechtspraktijk heeft deze uitspraak beperkte zelfstandige betekenis, nu zij grotendeels berust op een minnelijke regeling en de juridische vraagstukken worden afgedaan met verwijzing naar bestaande jurisprudentie. De uitkomst onderstreept echter het belang van een zorgvuldige en integrale gemeentelijke beoordeling bij kwetsbare gezinssituaties met meervoudige zorgvragen.