JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:99Laag28/100

Omgevingsvergunning recreatiewoningen geweigerd wegens bestemmingsplanstrijdigheid

ECLI:NL:RVS:2026:99, Raad van State, 14-01-2026, 202105267/1/R4

Raad van StateUitspraak: 14 januari 2026Publicatie: 8 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202105267/1/R4
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Bestemmingsplan
Recreatiewoningen
Kruimelgevallenregeling

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 5 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest geweigerd aan [wederpartij] een omgevingsvergunning te verlenen voor het in stand houden van vier recreatiewoningen op het recreatieterrein aan de [locatie] in Soesterberg. Het recreatieterrein bestaat uit een open grasveld omringd met bomen. Volgens het bestemmingsplan "Landelijk gebied" heeft het grasveld de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - Jachthuis". Op deze gronden staan een receptiegebouw en een groot aantal recreatiewoningen. De omliggende gronden met bomen hebben de bestemming "Bos - Bostuin". Op die gronden mag volgens het bestemmingsplan niet worden gebouwd, maar vier recreatiewoningen stonden (deels) op gronden met deze bestemming. [wederpartij] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om die vier recreatiewoningen in afwijking van het bestemmingsplan in stand te houden. [wederpartij] was tot 1 maart 2022 eigenaar van het recreatieterrein. Hij stelt schade te hebben geleden door de beslissing van het college om de omgevingsvergunning te weigeren. Hij wijst daarbij op de kosten voor het moeten verwijderen van de recreatiewoningen. Verder stelt hij dat hij het recreatieterrein onder de marktwaarde heeft moeten verkopen.

Kern van de zaak

Een eigenaar van een recreatieterrein vroeg een omgevingsvergunning aan om vier recreatiewoningen in stand te houden die (deels) op gronden met de bestemming 'Bos - Bostuin' staan, waarop bouwen niet is toegestaan. Het college weigerde de vergunning. De eigenaar stelt schade te hebben geleden door gedwongen verwijdering van de woningen en verkoop van het terrein onder de marktwaarde.

Beslissing van de rechter

De uitspraak is onvolledig weergegeven, maar op basis van de beschikbare tekst blijft de weigering van de omgevingsvergunning in stand; het college heeft de vergunning geweigerd omdat de recreatiewoningen in strijd zijn met de bestemmingsplanbestemming 'Bos - Bostuin'. De ontvankelijkheid van het hoger beroep van het college wordt betwist vanwege ontbrekend bewijs van een geldig procesbesluit.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een casuïstische uitspraak over een individuele vergunningweigering op een recreatieterrein; de rechtsvragen zijn niet vernieuwend en de uitkomst volgt grotendeels vaste rechtspraktijk omtrent overgangsrecht en bestemmingsplanstrijdigheid. De uitspraaktekst is bovendien onvolledig.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag dateert van 6 februari 2020 (vóór inwerkingtreding Omgevingswet op 1 januari 2024), blijft de Wabo van toepassing.
  • 2Vier recreatiewoningen staan (deels) op gronden met de bestemming 'Bos - Bostuin', waarop het bestemmingsplan bouwen verbiedt.
  • 3Het college meende dat vergunningverlening mogelijk zou zijn via artikel 2.12 lid 1 onder a, 2° Wabo jo. artikel 4 onderdeel 1 bijlage II Bor, maar weigerde de vergunning toch.
  • 4De eigenaar stelt schade te hebben geleden door verwijderingskosten en gedwongen verkoop onder de marktwaarde.
  • 5De ontvankelijkheid van het hoger beroep van het college wordt betwist omdat niet is aangetoond dat het bevoegdelijk is ingesteld (ontbrekend procesbesluit).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet en de aanhoudende relevantie van de Wabo voor pre-2024 aanvragen. De ontvankelijkheidsvraag rond het procesbesluit van het college raakt aan de bevoegdheidsregels voor bestuursorganen in hoger beroep.

Praktische impact

De eigenaar van het recreatieterrein loopt het risico dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft, wat betekent dat de vier recreatiewoningen verwijderd moeten worden en zijn schadeclaim niet zonder meer wordt gehonoreerd.

Onderwerp-impact

Voor eigenaren en exploitanten van recreatieterreinen onderstreept deze zaak het belang van zorgvuldige bestemmingsplancontrole vóór het plaatsen van bouwwerken, en de beperkte mogelijkheden om achteraf afwijkingsvergunningen te verkrijgen voor bouwwerken op bos- of natuurbestemmingen.

Samenvatting

Deze zaak betreft een geschil over een geweigerde omgevingsvergunning voor vier recreatiewoningen op een recreatieterrein, die (deels) zijn gebouwd op gronden met de bestemmingsplanbestemming 'Bos - Bostuin'. Op gronden met deze bestemming is bouwen op grond van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' niet toegestaan. De eigenaar van het recreatieterrein vroeg op 6 februari 2020 een omgevingsvergunning aan om deze woningen in afwijking van het bestemmingsplan in stand te houden. Het college weigerde de vergunning bij besluit van 5 juni 2020 en handhaafde die weigering in bezwaar. Een centrale procedurele kwestie is het toepasselijke recht: omdat de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, blijft op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De Raad van State past dit overgangsrecht toe. Het college stelde dat vergunningverlening theoretisch mogelijk zou zijn via de kruimelgevallenregeling (artikel 2.12 lid 1 onder a, 2° Wabo jo. artikel 4 onderdeel 1 bijlage II Bor), mits de recreatiewoningen als bijbehorende bouwwerken bij het receptiegebouw worden aangemerkt. Desondanks weigerde het college de vergunning op beleidsmatige gronden. De eigenaar, die het terrein inmiddels heeft verkocht, stelt schade te hebben geleden door de verwijderingskosten van de recreatiewoningen en door gedwongen verkoop onder de marktwaarde. Daarnaast betwist de wederpartij de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het college, omdat niet zou zijn aangetoond dat dit beroep bevoegdelijk is ingesteld via een formeel procesbesluit. De uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak niet volledig kan worden vastgesteld.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied