Bezwaartermijn verschoonbaar ondanks vier weken wachten
ECLI:NL:RVS:2026:717, Raad van State, 06-02-2026, 202406022/2/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Scheldestromen aan de gemeente Reimerswaal ten behoeve van aansluitingen op de Sluisweg en de Zwarteweg in Kruiningen een ontheffing verleend van, naar het stelt, het in de Keur wegen waterschap Scheldestromen 2011 (de Keur) opgenomen verbod om een uitweg naar een weg te maken of te wijzigen.
Kern van de zaak
Een belanghebbende (niet de aanvrager) maakte bezwaar tegen een besluit van waterschap Scheldestromen, vier weken nadat hij daarvan op de hoogte raakte. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het dagelijks bestuur, en draagt het waterschap op binnen twaalf weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Doorslaggevend is dat de omstandigheden van het geval maken dat de termijnoverschrijding toch als verschoonbaar moet worden aangemerkt, ook al bedroeg de wachttijd vier weken.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt en nuanceert bestaande jurisprudentie over verschoonbare termijnoverschrijding bij niet-aanvragers, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel. De praktische relevantie voor bestuursrechtpraktijk is beperkt tot specifieke gevallen van niet-gepubliceerde besluiten.
Belangrijkste punten
- 1Een belanghebbende die niet de aanvrager is en niet bekend was met het besluit, dient zo spoedig mogelijk bezwaar te maken nadat hij ervan op de hoogte raakte.
- 2De twee-wekentermijn uit eerdere jurisprudentie (RvS 2020 en 2022) geldt als ondergrens maar is niet absoluut; omstandigheden van het geval kunnen een langere termijn rechtvaardigen.
- 3De rechtbank oordeelde dat vier weken wachten onverschoonbaar te laat was, maar de Raad van State komt tot een ander oordeel.
- 4Onbekendheid met de jurisprudentielijn over de verschoonbaarheid wordt door de rechtbank onvoldoende geacht, maar de Raad van State weegt de concrete omstandigheden anders.
- 5Het waterschap wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, zodat de inhoudelijke beoordeling alsnog plaatsvindt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak nuanceert de bestaande jurisprudentielijn over verschoonbare termijnoverschrijding bij niet-aanvragers: de twee-wekentermijn is geen harde grens en de omstandigheden van het geval blijven doorslaggevend. Bestuursorganen en rechters dienen terughoudend te zijn bij het oordelen dat een overschrijding van enkele weken per definitie onverschoonbaar is.
Praktische impact
Appellant krijgt alsnog een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar bij het waterschap. Voor andere belanghebbenden die pas later van een besluit op de hoogte raken, biedt deze uitspraak meer ruimte om toch ontvankelijk bezwaar te maken, mits de concrete omstandigheden dat rechtvaardigen.
Onderwerp-impact
Voor de waterschapspraktijk betekent dit dat besluiten die niet gepubliceerd zijn in een huis-aan-huisblad extra aandacht vereisen bij de beoordeling van bezwaartermijnen, omdat derden-belanghebbenden eerder aanspraak kunnen maken op verschoonbaarheid.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een belanghebbende die niet de aanvrager was van een besluit van waterschap Scheldestromen, verschoonbaar te laat bezwaar had gemaakt. De appellant raakte op 18 januari 2021 op de hoogte van het besluit van 15 oktober 2020 en maakte vier weken later, op 15 februari 2021, bezwaar. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de bezwaartermijn en achtte de overschrijding niet verschoonbaar. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens die lijn dient een niet-aanvrager zo spoedig mogelijk bezwaar te maken nadat hij van het besluit op de hoogte is geraakt, waarbij twee weken als richtsnoer geldt. De rechtbank oordeelde dat vier weken wachten voor rekening en risico van appellant kwam en dat onbekendheid met de jurisprudentielijn onvoldoende rechtvaardiging bood. De Raad van State oordeelt in hoger beroep anders. De Afdeling erkent weliswaar de bestaande jurisprudentielijn, maar benadrukt dat de twee-wekentermijn geen absolute grens vormt en dat de omstandigheden van het geval altijd doorslaggevend zijn. Gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak acht de Afdeling de termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het dagelijks bestuur worden vernietigd, en het waterschap wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De uitspraak bevestigt dat rechters en bestuursorganen bij de beoordeling van verschoonbaarheid niet mechanisch mogen toetsen aan een vaste termijn, maar altijd de concrete feiten en omstandigheden moeten betrekken.