Geen toeslag verlengde asielprocedure voor advocaat zonder voorkeursmachtiging
ECLI:NL:RVS:2026:610, Raad van State, 04-02-2026, 202502066/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 december 2023 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] voor door haar verleende rechtsbijstand een vergoeding van € 1.163,54 toegekend. [appellante] heeft als advocaat [persoon] bijgestaan in zijn asielprocedure. De raad heeft voor de asielprocedure aan hem bij besluit van 16 februari 2023 een toevoeging verleend (V060 AA-procedure). Bij besluit van 2 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. In het kader van de behandeling van de aanvraag van [persoon] hebben een aanmeldgehoor en een nader gehoor plaatsgevonden. Ten aanzien van beide gehoren zijn correcties en aanvullingen naar voren gebracht.
Kern van de zaak
Een advocaat (appellante) heeft haar cliënt bijgestaan in een asielprocedure waarvoor een toevoeging was verleend. Na beleidswijziging per 1 september 2022 vroeg zij een toeslag verlengde asielprocedure aan. De Raad voor Rechtsbijstand weigerde deze toeslag, waarna appellante bezwaar en beroep instelde.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van de advocaat tegen de weigering van de toeslag verlengde asielprocedure. De doorslaggevende reden voor de weigering is dat appellante geen voorkeursmachtiging had aangevraagd vóór de beleidswijziging per 1 september 2022 en het overgangsrecht haar daarom niet beschermt.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een specifieke vergoedingskwestie in de gefinancierde rechtsbijstand en heeft beperkte precedentwerking; het bevestigt bestaand beleid zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De zaak is bovendien feitelijk van aard en de tekst is onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1De Raad voor Rechtsbijstand weigerde de toeslag verlengde asielprocedure omdat geen aanvullende onderzoekshandelingen zijn verricht en geen doorzending naar de verlengde procedure is aangetoond.
- 2Appellante beriep zich op het oude beleid, stellende dat zij vanaf 5 juli 2022 voorkeursadvocaat was, vóór de beleidswijziging per 1 september 2022.
- 3Het overgangsrecht (artikel IV wijzigingsbesluit Bvr) beschermt alleen toevoegingen aangevraagd vóór de inwerkingtreding van de wijziging, niet voorkeursstatussen zonder formele machtiging.
- 4Voorkeursmachtigingen werden pas vanaf 1 januari 2023 automatisch (zonder concrete aanvraag) afgegeven; appellante had geen aanvraag ingediend.
- 5De rechtbank oordeelde al dat het beroep op overgangsrecht niet slaagt; de zaak ligt nu voor bij de Raad van State in hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van het overgangsrecht bij de wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 per 1 september 2022 en de vereisten voor het verkrijgen van een toeslag verlengde asielprocedure. Advocaten zonder formele voorkeursmachtiging vóór de beleidswijziging kunnen geen aanspraak maken op het oude, gunstigere beleid.
Praktische impact
Advocaten die asielzoekers bijstaan en aanspraak willen maken op toeslagen onder het oude beleid, dienen tijdig een formele voorkeursmachtiging te hebben aangevraagd. Het enkele feit van feitelijk optreden als voorkeursadvocaat vóór de beleidswijziging is onvoldoende.
Onderwerp-impact
Voor de gefinancierde rechtsbijstand in asielzaken betekent dit dat de administratieve formaliteiten rondom voorkeursmachtigingen strikt worden gehandhaafd, wat de toegang tot adequate vergoeding voor advocaten in de asielpraktijk kan bemoeilijken.
Samenvatting
In deze zaak heeft een advocaat haar cliënt bijgestaan in een asielprocedure waarvoor de Raad voor Rechtsbijstand in februari 2023 een toevoeging had verleend. De cliënt kreeg uiteindelijk een verblijfsvergunning asiel. De advocaat vroeg een toeslag verlengde asielprocedure aan, maar de Raad voor Rechtsbijstand weigerde deze bij besluit van december 2023. Als grondslag gold dat geen aanvullende onderzoekshandelingen waren verricht en dat geen doorzending naar de verlengde asielprocedure was aangetoond. In bezwaar stelde de advocaat dat zij al vóór de beleidswijziging per 1 september 2022 — namelijk vanaf 5 juli 2022 — als voorkeursadvocaat optrad, en dat zij daarom nog recht had op de toeslag onder het oude beleid. De Raad voor Rechtsbijstand verwierp dit standpunt: appellante had nooit formeel een voorkeursmachtiging aangevraagd, en de automatische afgifte van voorkeursmachtigingen (zonder concrete aanvraag) gold pas vanaf 1 januari 2023. Het overgangsrecht van artikel IV van het wijzigingsbesluit Bvr beschermt uitsluitend toevoegingen die vóór 1 september 2022 waren aangevraagd, niet het feitelijk optreden als voorkeursadvocaat zonder formele machtiging. De rechtbank volgde dit oordeel en overwoog dat het beroep op overgangsrecht niet slaagt. De zaak ligt thans voor bij de Raad van State in hoger beroep. De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst van het hoger beroep niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Wel is duidelijk dat de centrale juridische vraag draait om de uitleg van het overgangsrecht bij de Bvr-wijziging en de formele vereisten voor een voorkeursmachtiging. De zaak is relevant voor de asielrechtspraktijk en de gefinancierde rechtsbijstand, maar heeft door haar specifieke en feitelijke karakter beperkte bredere precedentwerking.