Hoger beroep ongegrond: woningversterking Groningen geweigerd
ECLI:NL:RVS:2026:599, Raad van State, 04-02-2026, 202303567/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 8 van het destijds geldende Besluit versterking gebouwen Groningen besloten dat de woning van [appellant] op het adres [locatie] in Siddeburen voldoet aan de veiligheidsnorm. [appellant] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Siddeburen, een gebied waar aardbevingen als gevolg van gaswinning voorkomen. De Nationaal Coördinator Groningen heeft laten onderzoeken of de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm voor gebouwen in het aardbevingsgebied. De NCG heeft op basis van enkele onderzoeken geconcludeerd dat dit het geval is. De staatssecretaris heeft daarom met zijn besluiten van 25 mei 2023 en 22 mei 2024 bepaald dat de woning van [appellant] niet voor versterking in aanmerking komt. [appellant] stelt dat de onderzoeken waarop de besluiten berusten onvoldoende aannemelijk maken dat zijn woning geen versterking behoeft.
Kern van de zaak
Eigenaar van een woning in het Groningse aardbevingsgebied (Siddeburen) verzet zich tegen het besluit van de staatssecretaris dat zijn woning niet voor versterking in aanmerking komt. De NCG concludeerde op basis van onderzoek dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm. Appellant stelt dat de onderzoeken onvoldoende aannemelijk maken dat versterking niet nodig is.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Doorslaggevend is dat de staatssecretaris tijdig een besluit op bezwaar heeft genomen, en voor de beoordeling of sprake is van een besluit in de zin van de Awb is niet relevant of de inhoud van dat besluit juist is.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedureel geschil over de tijdigheid van een besluit op bezwaar en bevat geen nieuw richtinggevend oordeel over de materiële versterkingsnormen; de juridische overwegingen zijn in lijn met bestaande Awb-rechtspraak.
Belangrijkste punten
- 1De NCG heeft geconcludeerd dat de woning van appellant voldoet aan de veiligheidsnorm voor het aardbevingsgebied, waarna versterking is geweigerd.
- 2De staatssecretaris voldeed aan de rechterlijke opdracht door binnen vier weken een besluit op bezwaar te nemen (besluit van 26 januari 2023), ook al werd dit besluit later onvolledig bevonden.
- 3Voor de kwalificatie als 'besluit' in de zin van de Awb is niet relevant of de beslissing inhoudelijk juist is.
- 4De rechtbank kon volstaan met de opgelegde dwangsom en hoefde het geschil niet definitief inhoudelijk te beslechten.
- 5Artikel 8:41a Awb (verplichting tot finale geschilbeslechting) is niet geschonden nu de omstandigheden dat niet vereisten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een tijdig genomen besluit op bezwaar voldoet aan een rechterlijke last, ongeacht de inhoudelijke juistheid ervan, en dat artikel 8:41a Awb de rechter niet verplicht altijd finaal te beslechten. Dit heeft betekenis voor de toepassing van de procedurele regels in Awb-geschillen over versterkingsbesluiten.
Praktische impact
Voor de eigenaar van de woning in Siddeburen betekent dit dat zijn woning niet wordt versterkt en dat de procedure over de procesrechtelijke kwestie is afgedaan; een eventuele inhoudelijke herbeoordeling van het versterkingsbesluit zal in een afzonderlijke procedure moeten plaatsvinden.
Onderwerp-impact
In het Groningse versterkingsdossier onderstreept deze uitspraak dat procedurele gebreken (niet tijdig beslissen) en inhoudelijke geschillen over versterking strikt gescheiden worden behandeld, wat de doorlooptijd van individuele versterkingsgeschillen kan verlengen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een eigenaar van een woning in Siddeburen, gelegen in het Groningse aardbevingsgebied. De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) heeft na onderzoek geconcludeerd dat de woning voldoet aan de geldende veiligheidsnorm voor gebouwen in het aardbevingsgebied, waarna de staatssecretaris heeft besloten dat de woning niet voor versterking in aanmerking komt. Appellant betwistte dit en stelde tevens dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris had voldaan aan een eerdere rechterlijke opdracht tot het nemen van een tijdig besluit op bezwaar. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of de staatssecretaris met het besluit van 26 januari 2023 had voldaan aan de door de rechtbank opgelegde verplichting om binnen vier weken een besluit op bezwaar te nemen, en of de rechtbank had moeten overgaan tot finale geschilbeslechting op grond van artikel 8:41a Awb. De Raad van State heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling overweegt dat voor de vraag of een handeling als een 'besluit' in de zin van de Awb kwalificeert, niet relevant is of de inhoud van dat besluit juist of volledig is. De staatssecretaris had daarmee tijdig aan de rechterlijke last voldaan. Voorts oordeelt de Afdeling dat de rechtbank kon volstaan met de opgelegde dwangsom en niet was gehouden het materiële geschil definitief te beslechten. Van strijd met artikel 8:41a Awb is geen sprake. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige juridische betekenis, maar illustreert de strikte scheiding die in de Groningse versterkingsprocedures wordt aangehouden tussen procedurele en inhoudelijke geschilpunten.