JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5927Laag28/100

Handhavingsverzoek afgewezen: appellant geen belanghebbende

ECLI:NL:RVS:2026:5927, Raad van State, 07-10-2026, 202405286/1/R3

Raad van StateUitspraak: 7 oktober 2026Publicatie: 7 oktober 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202405286/1/R3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Handhaving
Vergunningen
Niet Ontvankelijk
Wabo
Omgevingswet
Handhavingsverzoek
Belanghebbende

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

In de brief van 23 september 2022 heeft [appellant] het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verzocht om handhavend op te treden tegen de afsluiting van de Assumburgweg. Op 1 en 8 november 2022 heeft het college aan [appellant] laten weten hem niet als belanghebbende aan te merken. [appellant] woont aan het [locatie] in Den Haag. Tussen 1 augustus 2022 en 1 december 2022 zijn aan de Assumburgweg werkzaamheden uitgevoerd waardoor delen van de straat niet toegankelijk waren. Omdat volgens [appellant] geen vergunning voor deze werkzaamheden is verleend, heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen deze werkzaamheden. [appellant] betoogt dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarover heeft hij op de zitting gezegd dat hij door de werkzaamheden moet omfietsen, mede omdat de werkzaamheden op de weg naar zijn huisarts plaatsvinden.

Kern van de zaak

Een inwoner van Den Haag verzocht het college handhavend op te treden tegen werkzaamheden aan de Assumburgweg (augustus–december 2022) waarvoor volgens hem geen vergunning was verleend. Het college wees het verzoek af omdat de appellant niet als belanghebbende werd aangemerkt. Na uitblijven van een besluit op bezwaar stelde appellant het college in gebreke, waarna alsnog een besluit volgde.

Beslissing van de rechter

Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van het oordeel dat appellant geen belanghebbende is in de zin van de Awb, waardoor de afwijzing van het handhavingsverzoek geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb zou zijn. De doorslaggevende reden is het ontbreken van de hoedanigheid van belanghebbende, waardoor de wettelijke grondslag voor een formeel besluit op aanvraag ontbreekt. Opmerking: de uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve oordelen van de Raad van State niet volledig kunnen worden vastgesteld.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een relatief individuele kwestie over belanghebbendheid bij een handhavingsverzoek en past binnen bestaande jurisprudentie; de tekst is bovendien onvolledig, waardoor de uiteindelijke rechtsregel van de Raad van State niet volledig kan worden beoordeeld.

Belangrijkste punten

  • 1Op het handhavingsverzoek (ingediend vóór 1 januari 2024) blijft de Wabo van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2Het college merkte appellant niet aan als belanghebbende in de zin van de Awb, wat leidde tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
  • 3Omdat geen belanghebbendheid werd aangenomen, kwalificeerde het college de afwijzing niet als een appellabel besluit op aanvraag (art. 1:3 lid 3 Awb).
  • 4Het college nam pas op 25 januari 2024 een besluit op bezwaar, nadat appellant het college in gebreke had gesteld wegens het uitblijven van een tijdig besluit.
  • 5De uitspraaktekst is onvolledig; het definitieve oordeel van de Raad van State over de belanghebbendheid en ontvankelijkheid kan niet volledig worden vastgesteld.

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak bevestigt het belang van de belanghebbende-toets (art. 1:2 Awb) bij handhavingsverzoeken en de wisselwerking met de kwalificatie als besluit op aanvraag; bij ontbreken van belanghebbendheid ontstaat geen formele beslistplicht. Het toepasselijke overgangsrecht (Wabo vs. Omgevingswet) wordt helder afgebakend op basis van het tijdstip van indiening van het verzoek.

Praktische impact

Voor omwonenden die handhaving willen afdwingen is het cruciaal dat zij aantonen een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang te hebben; zonder die status wordt hun verzoek niet als aanvraag behandeld en staan bezwaar en beroep niet open. Initiatiefnemers van werkzaamheden in de openbare ruimte worden minder snel geconfronteerd met formele handhavingsprocedures als omwonenden de drempel van belanghebbendheid niet halen.

Onderwerp-impact

In de sfeer van handhaving en vergunningverlening in de openbare ruimte benadrukt deze zaak dat de toegang tot handhavingsprocedures afhankelijk is van een strikte beoordeling van belanghebbendheid, wat de drempel voor omwonenden bij infrastructurele werkzaamheden verhoogt.

Samenvatting

Deze zaak betreft een inwoner van Den Haag die in september 2022 het college van B&W verzocht handhavend op te treden tegen werkzaamheden aan de Assumburgweg, omdat hij meende dat daarvoor geen omgevingsvergunning was verleend. Het college wees het verzoek af omdat de appellant niet als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht werd aangemerkt. Na bezwaar en het uitblijven van een beslissing daarop stelde appellant het college in gebreke. Uiteindelijk nam het college op 25 januari 2024 alsnog een besluit op bezwaar, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard: zonder belanghebbendheid is de afwijzing van een handhavingsverzoek geen besluit op aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 lid 3 Awb, en staat bezwaar dus niet open. Een voorafgaande procedurele vraag betrof het toepasselijke recht: omdat het handhavingsverzoek is ingediend vóór 1 januari 2024 (de inwerkingtreding van de Omgevingswet), blijft op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. De Raad van State diende te oordelen over de vraag of het college appellant terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraaktekst is echter onvolledig overgeleverd, zodat het definitieve oordeel van de Raad van State niet volledig kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen kan worden geconcludeerd dat de zaak draait om de toegangsdrempel tot handhavingsprocedures: alleen wie een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft, kan als aanvrager worden aangemerkt en beschikt over rechtsmiddelen. Deze uitspraak heeft beperkte precedentwerking, nu zij aansluit bij vaste jurisprudentie over belanghebbendheid, maar bevestigt wel de strikte toepassing van die drempel in de context van handhaving van bouwregelgeving in de openbare ruimte.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RVS:2026:5924

RvS vernietigt handhavingsbesluit scootmobielbergingen maar laat rechtsgevolgen in stand

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RVS:2026:5904

Terrasvergunning Maansteen Arnhem gedeeltelijk toegewezen na nieuw beleid

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Handhaving
Vastgoed
ECLI:NL:RVS:2026:5915

Last onder dwangsom herroepen na omgevingsvergunning van rechtswege

38/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5928

Woningbouw bij bedrijventerrein vernietigd wegens geurcontour

38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied