Hoger beroep niet-ontvankelijk, schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
ECLI:NL:RVS:2026:5910, Raad van State, 07-10-2026, 202303861/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde aan [partij] een vergunning verleend voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg. [partij] heeft in de jaren 2015 tot en met 2018 een uitbouw gerealiseerd aan de horecagelegenheid [horecagelegenheid] aan de [locatie 1]. Bij brief van 3 september 2019 heeft zij een ontheffing aangevraagd op grond van artikel 2:11 van de Algemene plaatselijke verordening voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg, om de reeds voltooide werkzaamheden te legaliseren. Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college de vergunning verleend. [appellant] is eigenaar van twee panden aan de [locatie 2], en heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. Bij besluit van 24 juni 2021 heeft het college dat bezwaar gegrond verklaard. Vervolgens heeft het college bij brief van 15 juli 2021 aan [partij] laten weten dat zij een vergunning van rechtswege heeft. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen die vergunning van rechtswege bij brief van 20 september 2021 doorgezonden aan de rechtbank als onderdeel van het aanhangige beroep tegen het besluit van 24 juni 2021.
Kern van de zaak
Appellant, eigenaar van twee panden in Ter Apel, maakte bezwaar tegen een verleende ontheffing voor een reeds gerealiseerde uitbouw van horecagelegenheid. Na een complexe procedurele gang waarbij een vergunning van rechtswege ontstond, heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Raad van State over de bevoegdheid van de rechtbank en de proceskostenveroordeling.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belanghebbendheid in de zin van artikel 1:2 Awb. Tegelijkertijd worden schadevergoedingsverzoeken wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen ten laste van het college van Westerwolde, de Staat (minister van JenV) en de Staat (minister van BZK) voor respectievelijk € 88,24, € 176,47 en € 1.235,29.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard (niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belanghebbendheid) en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de schadevergoedingscomponent volgt vaste Afdelingsjurisprudentie over redelijke termijn.
Belangrijkste punten
- 1Het hoger beroep is ambtshalve niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid Awb wordt aangemerkt.
- 2De vergunning van rechtswege (ex artikel 2:11 APV Westerwolde) ontstond nadat het college het eerder verleende besluit herriep bij besluit van 24 juni 2021.
- 3De rechtbank behandelde het bezwaar tegen de vergunning van rechtswege rechtstreeks als beroep, wat door appellant als procedureel onjuist werd betwist.
- 4De Raad van State heeft ambtshalve de ontvankelijkheidsvraag onderzocht en het hoger beroep op die grond afgedaan zonder inhoudelijke behandeling.
- 5Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verdeeld over het college en twee ministeries, wat wijst op een lange totale procesduur (2019-2026).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de Afdeling ambtshalve de ontvankelijkheid van hoger beroep toetst aan artikel 1:2 jo. 8:104 Awb, en dat het ontbreken van belanghebbendheid leidt tot niet-ontvankelijkheid zonder inhoudelijke beoordeling. De verdeling van schadevergoeding over college en twee ministeries illustreert de vaste rechtspraak over toerekening van termijnoverschrijding per fase.
Praktische impact
Appellant ontvangt ondanks de niet-ontvankelijkheid een totale schadevergoeding van € 1.500,00 wegens de buitensporig lange duur van de procedure (circa zeven jaar). De horecaondernemer behoudt haar vergunning van rechtswege voor de reeds gerealiseerde uitbouw.
Onderwerp-impact
Voor horecaondernemers die achteraf legalisatie zoeken via een APV-ontheffing illustreert deze zaak het risico van langdurige juridische procedures en de mogelijkheid dat omwonenden of naburige eigenaren bezwaar maken met aanzienlijke vertragingen tot gevolg.
Samenvatting
Deze zaak betreft een horecaondernemer in Ter Apel die tussen 2015 en 2018 een uitbouw realiseerde aan haar horecagelegenheid zonder vooraf de benodigde ontheffing op grond van de Algemene plaatselijke verordening te hebben verkregen. In 2019 vroeg zij alsnog een ontheffing aan om de situatie te legaliseren. Het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde verleende aanvankelijk een vergunning, maar verklaarde het bezwaar van een naburige pandeneigenaar (appellant) gegrond, waarna een vergunning van rechtswege ontstond. Appellant bestreed vervolgens zowel de procedurele gang van zaken bij de rechtbank als de inhoudelijke besluitvorming. De Raad van State ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Op grond van artikel 8:104 jo. artikel 1:2, eerste lid Awb kan alleen een belanghebbende hoger beroep instellen. De Afdeling concludeert dat appellant niet als belanghebbende kwalificeert en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, zonder de inhoudelijke grieven over de bevoegdheid van de rechtbank en de proceskostenveroordeling te beoordelen. Niettemin worden de verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale procedure heeft vanaf de aanvraag in 2019 tot de uitspraak in 2026 circa zeven jaar geduurd, wat de redelijke termijn ruimschoots overschrijdt. De schadevergoeding wordt conform vaste jurisprudentie verdeeld over het college van Westerwolde (bestuurlijke fase) en twee ministeries (rechterlijke fase): respectievelijk € 88,24, € 176,47 en € 1.235,29, samen € 1.500,00. De zaak heeft beperkte precedentwerking maar illustreert de risico's van langdurige bestuursrechtelijke procedures rond legalisatie van illegale bouwwerken.