JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5867Hoog72/100

RvS stelt prejudiciële vragen over Dublin-overgangsrecht AMB-verordening

ECLI:NL:RVS:2026:5867, Raad van State, 07-10-2026, BRS.26.004097

Raad van StateUitspraak: 7 oktober 2026Publicatie: 5 oktober 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.004097
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Mensenrechten
Overheid
Zorg
Dublin Verordening
Asielrecht
Prejudiciele Vragen
Overgangsrecht
Amb Verordening

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 25 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. De minister heeft het verzoek om internationale bescherming van 30 januari 2026 van appellant niet in behandeling genomen, omdat Zweden daarvoor op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Appellant heeft eerder, op 29 augustus 2025, ook een verzoek om internationale bescherming ingediend in België. Het besluit waarin de Belgische autoriteiten hebben bepaald dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek is in rechte vast komen te staan. Appellant is op 30 oktober 2025 door de Belgische autoriteiten overgedragen aan Zweden. Vervolgens is hij naar Nederland gereisd en heeft hij voorliggend verzoek om internationale bescherming ingediend.

Kern van de zaak

Een asielzoeker wiens verzoek op grond van de Dublinverordening aan Zweden was toegewezen, diende na terugkeer in Nederland een nieuw verzoek in. De minister nam dit niet in behandeling. In hoger beroep rijzen vragen over de toepasselijkheid van de nieuwe AMB-verordening op vóór 12 juni 2026 geregistreerde verzoeken.

Beslissing van de rechter

De Raad van State heeft besloten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU over de uitleg van artikel 84 lid 2 en artikel 43 lid 1 van de AMB-verordening. De doorslaggevende reden is dat onduidelijk is of en wanneer de nieuwe verordening van toepassing is op lopende beroepsprocedures over eerder geregistreerde asielverzoeken, en of de beperking van de beroepsomvang verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest.

72van 100

Impactscore

Hoog

Het betreft een verwijzingsuitspraak van de hoogste bestuursrechter aan het HvJ EU over fundamentele overgangsrechtelijke en grondrechtelijke vragen in het Europees asielstelsel, met brede doorwerking in de praktijk; nog geen eindbeslissing, waardoor de eindscore conservatief wordt gehouden.

Belangrijkste punten

  • 1De uitleg van artikel 84 lid 2 AMB-verordening (overgangsrecht) staat centraal: geldt de nieuwe verordening voor vóór 12 juni 2026 geregistreerde verzoeken in beroepsprocedures?
  • 2Vraag of artikel 43 lid 1 AMB-verordening de beroepsomvang beperkt in procedures die zijn gestart onder de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013.
  • 3Grondrechtelijke toets: mogelijk conflict tussen de beroepsbeperking van artikel 43 lid 1 AMB-verordening en het effectieve rechtsmiddelrecht van artikel 47 EU-Handvest.
  • 4Feitelijk Dublin-kader: appellant was al door België overgedragen aan Zweden; Zweden was in rechte vastgesteld als verantwoordelijke lidstaat.
  • 5RvS verzoekt om versnelde behandeling (PPA) bij het Hof van Justitie vanwege de urgentie en praktische gevolgen voor lopende asielzaken.

Impactanalyse

Juridische impact

De prejudiciële vragen kunnen de reikwijdte van het overgangsrecht van de AMB-verordening en de geldigheid van de beroepsbeperking verduidelijken, met directe gevolgen voor talrijke lopende Dublin-beroepsprocedures in Nederland en mogelijk geheel de EU. Een antwoord over de verenigbaarheid met artikel 47 EU-Handvest kan de rechtsbescherming in asielzaken structureel beïnvloeden.

Praktische impact

Zolang de prejudiciële vragen niet zijn beantwoord, bestaat rechtsonzekerheid voor asielzoekers wier verzoek vóór 12 juni 2026 is geregistreerd en voor wie een Dublin-overdracht is bepaald; behandeling van vergelijkbare zaken zal vermoedelijk worden aangehouden in afwachting van het HvJ-arrest.

Onderwerp-impact

De uitspraak raakt direct de werking van het Europees asielstelsel en de overgang van de Dublinverordening naar de AMB-verordening; de uitkomst bepaalt in hoeverre nationale rechters de beroepsomvang in Dublin-zaken mogen of moeten beperken.

Samenvatting

Deze verwijzingsuitspraak van de Raad van State van 7 oktober 2026 betreft een asielzoeker die, nadat hij door de Belgische autoriteiten aan Zweden was overgedragen op grond van de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013, naar Nederland reisde en aldaar een nieuw verzoek om internationale bescherming indiende. De minister weigerde dit verzoek in behandeling te nemen, omdat Zweden op grond van de Dublincriteria verantwoordelijk was. In de beroepsprocedure rijst de vraag welk rechtskader van toepassing is: de inmiddels in werking getreden Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMB-verordening, EU nr. 2024/1351) of de Dublinverordening waaronder het verzoek oorspronkelijk werd geregistreerd. De juridische kernvraag is drieledig. Ten eerste: valt een beroepsprocedure over een vóór 12 juni 2026 geregistreerd verzoek onder het overgangsrecht van artikel 84 lid 2 AMB-verordening? Ten tweede: is artikel 43 lid 1 AMB-verordening, dat de omvang van het beroep beperkt, hierop van toepassing? Ten derde: is die beroepsbeperking in overeenstemming met het recht op een effectief rechtsmiddel zoals gewaarborgd door artikel 47 van het EU-Handvest voor de grondrechten? De Raad van State heeft, bij gebreke van een eenduidig antwoord op deze vragen, besloten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en heeft daarbij verzocht om versnelde behandeling vanwege de urgentie voor de asielpraktijk. Er is nog geen inhoudelijke eindbeslissing genomen; de uitspraak heeft vooralsnog het karakter van een tussenbeslissing. De antwoorden van het HvJ zullen bepalend zijn voor de rechtsbescherming van een groot aantal asielzoekers wier zaak onder de overgangsperiode valt, en voor de wijze waarop Nederlandse bestuursrechters de beroepsomvang in Dublin-zaken moeten afbakenen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vastgoed
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5931

Raad van State beoordeelt weigering kantoor-naar-wonen verbouwing Hilversum

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RVS:2026:5924

RvS vernietigt handhavingsbesluit scootmobielbergingen maar laat rechtsgevolgen in stand

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RVS:2026:5900

RvS vernietigt handhavingsweigering bij kerktuinmuur opening Weesp

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Handhaving
Vastgoed
ECLI:NL:RVS:2026:5915

Last onder dwangsom herroepen na omgevingsvergunning van rechtswege

38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen