Hoger beroep asielaanvraag niet-ontvankelijk na alsnog besluit minister
ECLI:NL:RVS:2026:5837, Raad van State, 05-10-2026, BRS.25.001781
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker ging in hoger beroep bij de Raad van State omdat de minister niet tijdig een besluit nam op zijn asielaanvraag van 13 september 2023. Tijdens de hoger beroepsprocedure nam de minister alsnog een besluit op 24 augustus 2026, waardoor het belang bij het hoger beroep over het niet tijdig beslissen wegviel.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer heeft nu de minister alsnog een besluit heeft genomen. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit van 24 augustus 2026 wordt van rechtswege geacht onderdeel te zijn van het geding en wordt doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, als bevoegde rechter in eerste aanleg voor asielzaken.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele, enkelvoudige beslissing zonder nieuwe rechtsvragen; de toegepaste regels van artikel 6:20 Awb en de verwijzingssystematiek zijn vaste praktijk in asiel- en bestuursrecht.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep over niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk zodra het inhoudelijke besluit alsnog wordt genomen en belang ontbreekt
- 2Het alsnog genomen besluit van 24 augustus 2026 wordt op grond van artikel 6:20 lid 3 jo. artikel 6:24 Awb van rechtswege onderdeel van het geding
- 3De Afdeling verwijst het beroep tegen het inhoudelijke asielbesluit terug naar de rechtbank op grond van artikel 6:20 lid 4 Awb
- 4De minister wordt veroordeeld in proceskosten (€ 467,00) met toepassing van wegingsfactor 0,5 wegens het uitsluitend procederen over niet tijdig beslissen
- 5Verwijzing naar de rechtbank waarborgt de in de Vw 2000 neergelegde rechterlijke structuur: toetsing in eerste aanleg met hoger beroepsmogelijkheid
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de standaard toepassing van artikel 6:20 Awb bij niet-tijdig beslissen in asielzaken: het hoger beroep verliest zijn belang zodra het besluit er is, maar dat besluit treedt automatisch in de procedure. De verwijzing naar de rechtbank bevestigt de geëigende rechterlijke structuur in asielzaken op grond van de Vw 2000.
Praktische impact
Voor de asielzoeker betekent dit dat zijn inhoudelijke asielprocedure voortgaat bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, terwijl hij een kleine proceskostenvergoeding ontvangt voor het hoger beroep over het niet tijdig beslissen.
Onderwerp-impact
In asielzaken bevestigt deze uitspraak dat te lang talmen door de minister weliswaar tot proceskostenveroordeling leidt, maar dat de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag via de reguliere rechterlijke weg plaatsvindt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een asielzoeker die op 13 september 2023 een asielaanvraag indiende bij de minister van Asiel en Migratie. Omdat de minister niet tijdig een besluit nam, stelde appellant beroep in bij de rechtbank wegens het uitblijven van een beslissing. Nadat de rechtbank uitspraak deed, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de hoger beroepsprocedure nam de minister op 24 augustus 2026 alsnog een besluit op de asielaanvraag. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of appellant nog belang had bij zijn beroep over het niet tijdig beslissen, nu de minister dat besluit inmiddels had genomen. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend: wat appellant aanvoert levert geen belang meer op voor de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van artikel 6:20 lid 3 jo. artikel 6:24 Awb wordt het besluit van 24 augustus 2026 van rechtswege geacht onderdeel te zijn van het geding. De Afdeling maakt gebruik van haar bevoegdheid ex artikel 6:20 lid 4 Awb om het beroep tegen dit inhoudelijke asielbesluit te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. Zij motiveert dit met de overweging dat de rechtbank is ingericht voor de toetsing van asielbesluiten in eerste aanleg, en dat verwijzing recht doet aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 neergelegde hogerberoepsstructuur. Tenslotte veroordeelt de Afdeling de minister in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 467,00. Omdat het hoger beroep uitsluitend over het niet tijdig beslissen ging, past de Afdeling wegingsfactor 0,5 toe. De uitspraak is inhoudelijk weinig verrassend en bevestigt gangbare procedurele praktijk in asielzaken.