Ingebrekestelling Syrische asielzoeker prematuur verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5831, Raad van State, 01-10-2026, 202504731/1/V2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een Syrische asielzoeker diende op 12 oktober 2024 een asielaanvraag in. Op 25 juni 2025 stelde hij de minister in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing. In geschil is of deze ingebrekestelling prematuur was, gelet op het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrische vreemdelingen dat gold van 14 december 2024 tot 13 juni 2025.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de ingebrekestelling van 25 juni 2025 prematuur was. Doorslaggevend is dat het moratorium de beslistermijn met zes maanden verlengde, waardoor de minister tot uiterlijk 12 oktober 2025 de tijd had om te beslissen en de ingebrekestelling plaatsvond vóór het verstrijken van die termijn.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de groep Syrische asielzoekers die door het moratorium te maken kregen met verlengde beslistermijnen, maar codificeert enkel reeds eerder vastgestelde jurisprudentie (RvS 9 september 2026) zonder nieuwe rechtsregels te stellen.
Belangrijkste punten
- 1Het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrische vreemdelingen (14 december 2024 – 13 juni 2025) verlengde de beslistermijn met zes maanden, niet met een jaar.
- 2De rechtbank had ten onrechte overwogen dat het moratorium een verlenging van een jaar met zich bracht, maar het eindoordeel (ingebrekestelling is prematuur) was desondanks juist.
- 3De Afdeling bevestigt de uitspraak met verbetering van gronden.
- 4Geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, nu redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het antwoord op de opgeworpen vragen (Cilfit-doctrine).
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de werking van het Syrië-moratorium op de beslistermijn in asielzaken: het moratorium leidt tot een verlenging van zes maanden, niet een jaar. Dit sluit aan bij de eerdere Afdelingsuitspraak van 9 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5232).
Praktische impact
Syrische asielzoekers die hun aanvraag vóór of tijdens het moratorium indienden, kunnen de minister pas in gebreke stellen nadat de verlengde beslistermijn (aanvraagdatum plus de resterende termijn na het moratorium) volledig is verstreken.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers van Syrische nationaliteit betekent dit dat een te vroeg ingediende ingebrekestelling geen rechtsgevolgen heeft en de dwangsomprocedure opnieuw moet worden gestart na afloop van de volledige beslistermijn.
Samenvatting
In deze zaak ging het om een Syrische asielzoeker die op 12 oktober 2024 asiel had aangevraagd in Nederland. Vanwege de politieke situatie in Syrië stelde de minister een besluit- en vertrekmoratorium in, dat liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Op 25 juni 2025 — amper twee weken na afloop van het moratorium — stelde appellant de minister schriftelijk in gebreke omdat er nog geen beslissing op zijn asielaanvraag was genomen. De rechtbank verklaarde de ingebrekestelling prematuur, maar motiveerde dit op onjuiste gronden: zij oordeelde dat het moratorium de beslistermijn met een heel jaar had verlengd. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het dictum van de rechtbank, maar verbetert zij de gronden. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5232) stelt de Afdeling vast dat het moratorium de beslistermijn met zes maanden heeft verlengd. Omdat appellant op 12 oktober 2024 asiel had aangevraagd, had de minister dus tot uiterlijk 12 oktober 2025 de tijd om te beslissen. De ingebrekestelling van 25 juni 2025 viel daarmee ruimschoots binnen de nog lopende beslistermijn en was dus inderdaad prematuur — zij het om een andere reden dan de rechtbank had aangenomen. De grief van appellant faalt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, nu de Cilfit-doctrine toepassing vindt: redelijkerwijs bestaat geen twijfel over de juiste uitleg van de relevante regels. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt en verfijnt de bestaande lijn over de gevolgen van het Syrië-moratorium voor de asielbeslistermijn.