Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:5821, Raad van State, 02-10-2026, BRS.26.002817
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak waarbij de minister partij is. De exacte feiten van de onderliggende zaak zijn niet opgenomen in de gepubliceerde tekst, maar het betreft een geschil op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en past de vereenvoudigde motivering toe omdat het hogerberoepschrift geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin opwerpt.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaardtoepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen; de inhoud van de onderliggende zaak is niet kenbaar en er worden geen richtinggevende oordelen gegeven.
Belangrijkste punten
- 1De Raad van State past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: geen uitgebreide motivering vereist omdat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen van algemeen belang bevat.
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 4 en 5) integraal over.
- 3Er is geen aanleiding voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform arrest Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant.
- 5De zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer, wat past bij zaken zonder complexe rechtsvragen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte motiveringsplicht ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij het arrest Remling (HvJ EU 24 maart 2026) over de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de beslissing van de minister in stand blijft; de inhoud van die beslissing is niet kenbaar uit de gepubliceerde tekst. Proceskosten worden niet vergoed.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de Raad van State de verkorte afdoeningsroute bij gebrek aan algemene rechtsvragen consequent toepast, wat bijdraagt aan efficiënte rechtspleging in vreemdelingrechtelijke hogerberoepsprocedures.
Samenvatting
In deze uitspraak van 2 oktober 2026 bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak waarbij de minister verweerder is. Appellant had hoger beroep ingesteld, maar de Afdeling acht dit hoger beroep ongegrond. De exacte inhoud van het onderliggende geschil — de specifieke feiten en de aard van de bestreden beslissing — is niet kenbaar uit de gepubliceerde uitspraaktekst, omdat slechts de overwegingen van de Afdeling zijn opgenomen. De Raad van State past de vereenvoudigde motiveringsroute van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe. Dit betekent dat een verdere inhoudelijke motivering achterwege blijft, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank — neergelegd in overwegingen 4 en 5 van de aangevallen uitspraak — integraal over. Voorts oordeelt de Afdeling dat het hogerberoepschrift evenmin vragen oproept over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht, waarbij zij verwijst naar het arrest Remling van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Er is dan ook geen aanleiding voor een prejudiciële verwijzing. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Deze uitspraak is een routinematige afdoening die geen nieuwe rechtsvragen introduceert en uitsluitend van belang is voor de direct betrokken partijen.