Raad van State bevestigt dwangsom permanente bewoning recreatiewoningen
ECLI:NL:RVS:2026:5813, Raad van State, 30-09-2026, 202504455/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haar dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien.
Kern van de zaak
Eigenaar [appellant A] en haar dochter [appellant B] wonen permanent in recreatiewoningen in Sint Geertruid, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Het college legde beiden in januari 2023 een last onder dwangsom op. Moeder en dochter stellen dat bijzondere omstandigheden handhaving onrechtmatig maken.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank, die de opgelegde lasten onder dwangsom rechtmatig achtte. De rechtbank oordeelde dat permanente bewoning van recreatiewoningen een overtreding oplevert en dat het college terecht handhaafde; de uitspraak is onvolledig waardoor de einduitkomst onzeker is.
Impactscore
LaagDe zaak past binnen vaste handhavingsjurisprudentie rondom recreatiewoningen en voegt weinig nieuws toe aan het recht; het overgangsrechtelijke aspect is helder en de uitspraak heeft een beperkte geografische en feitelijke reikwijdte. Bovendien is de uitspraak onvolledig waardoor de definitieve beslissing niet kenbaar is.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de lasten onder dwangsom vóór 1 januari 2024 zijn opgelegd, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing.
- 2Permanente bewoning van recreatiewoningen is in strijd met het bestemmingsplan en levert een overtreding op.
- 3Lasten onder dwangsom zijn opgelegd aan zowel de eigenaar (appellant A) als de bewoner (appellant B).
- 4Appellanten beroepen zich op bijzondere omstandigheden die handhaving onredelijk maken.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; de definitieve beslissing van de Raad van State is niet kenbaar uit het beschikbare fragment.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet (art. 4.23 lid 1), op grond waarvan vóór 2024 opgelegde handhavingsbesluiten onder het oude Wabo-regime blijven vallen. Dit biedt rechtszekerheid voor lopende handhavingstrajecten.
Praktische impact
Eigenaren en bewoners van recreatiewoningen die deze permanent bewonen blijven handhavingsrisico's lopen, ook nu de Omgevingswet van kracht is, zolang de eerdere dwangsombesluiten niet zijn uitgevoerd of opgeheven.
Onderwerp-impact
De uitspraak onderstreept dat gemeenten actief kunnen en mogen handhaven op permanente bewoning van recreatiewoningen, ook wanneer betrokkenen bijzondere persoonlijke omstandigheden aanvoeren als verweer tegen handhaving.
Samenvatting
Deze zaak betreft een handhavingsgeschil over de permanente bewoning van recreatiewoningen op drie percelen in Sint Geertruid. Het college van burgemeester en wethouders legde in januari 2023 aan zowel eigenaar [appellant A] als haar dochter [appellant B], die een van de wooneenheden bewoont, een last onder dwangsom op wegens strijdig gebruik met het bestemmingsplan. Beiden maakten bezwaar en stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank, die hun beroep verwierp: de permanente bewoning levert een overtreding op en het college was terecht tot handhaving overgegaan. In hoger beroep bij de Raad van State voeren appellanten aan dat bijzondere omstandigheden aan handhaving in de weg stonden. Een procedureel aandachtspunt betreft het overgangsrecht: nu de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, maar de lasten onder dwangsom reeds in januari 2023 zijn opgelegd, bepaalt artikel 4.23 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet dat het oude recht — de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) — van toepassing blijft totdat de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Dit overgangsrechtelijke kader schept duidelijkheid voor de beoordeling van lopende handhavingstrajecten. De rechtsvraag spitst zich toe op de vraag of bijzondere omstandigheden — zoals de concrete woonsituatie van appellanten — maken dat van handhaving diende te worden afgezien. De rechtbank beantwoordde die vraag ontkennend. Omdat het beschikbare fragment van de uitspraak van de Raad van State onvolledig is, kan de definitieve beslissing in hoger beroep niet met zekerheid worden vastgesteld. De zaak illustreert de aanhoudende spanning tussen gemeentelijk handhavingsbeleid inzake recreatiewoningen en de persoonlijke belangen van eigenaren en bewoners.