RvS: zittingspunt proceskosten altijd verplicht toekennen
ECLI:NL:RVS:2026:5768, Raad van State, 02-10-2026, BRS.26.004581
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een appellant in een vreemdelingenzaak ging in hoger beroep bij de Raad van State omdat de rechtbank bij de proceskostenvergoeding geen punt toekende voor de zitting. De rechtbank oordeelde dat de toelichting van de gemachtigde ter zitting geen nieuwe informatie bevatte en dat het verweerschrift al voor de zitting was ingediend.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard. De Raad van State vernietigt de uitspraak gedeeltelijk en verhoogt de proceskostenvergoeding van € 934,00 naar € 1.868,00 voor beroep, plus een vergoeding voor de kosten in hoger beroep. De doorslaggevende reden is dat het Besluit proceskosten bestuursrecht een forfaitair karakter heeft en de bestuursrechter verplicht is een punt toe te kennen voor het verschijnen op de zitting, ongeacht de inhoudelijke bijdrage van die zitting.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt bestaande rechtspraktijk rondom het forfaitaire karakter van het Besluit proceskosten bestuursrecht en stelt geen nieuwe rechtsregel; de financiële impact is beperkt tot het concrete geval.
Belangrijkste punten
- 1Het vergoedingsstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht is forfaitair van aard.
- 2Een punt voor het verschijnen op de zitting moet altijd worden toegekend, ongeacht of ter zitting nieuwe informatie is verstrekt.
- 3De rechtbank mag het ontbreken van nieuwe inhoudelijke bijdragen ter zitting niet als reden gebruiken om een zittingspunt te weigeren.
- 4De tweede grief werd afgedaan met toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen motiveringsplicht bij ontbreken van belang voor rechtseenheid of -ontwikkeling).
- 5De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 2.802,00 inclusief kosten hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bestuursrechters geen inhoudelijke beoordeling mogen maken van de waarde van een zitting als grond voor het weigeren van een proceskostenpunt; het forfaitaire systeem laat die discretie niet toe.
Praktische impact
Bestuursrechters in vreemdelingenzaken (en breder in het bestuursrecht) zijn gehouden altijd een punt toe te kennen wanneer een gemachtigde op de zitting is verschenen, ook als de zitting inhoudelijk weinig toevoegt.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenprocedures, waar proceskostenvergoedingen een belangrijke rol spelen voor rechtzoekenden met beperkte middelen, versterkt deze uitspraak de aanspraak op volledige forfaitaire vergoeding.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 oktober 2026 stond de vraag centraal of een bestuursrechter een punt voor het verschijnen op de zitting mag weigeren in de proceskostenvergoeding, omdat de gemachtigde ter zitting geen nieuwe informatie heeft verstrekt. De appellant, bijgestaan door een advocaat, had in eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Roermond) beroep ingesteld in een vreemdelingenzaak. De rechtbank wees het beroep gegrond maar kende bij de proceskostenvergoeding geen punt toe voor de zitting, met als redenering dat het verweerschrift al voor de zitting was ingediend en de toelichting van de gemachtigde niets nieuws had toegevoegd aan de beoordeling. De Raad van State maakt korte metten met deze redenering. Het vergoedingsstelsel neergelegd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is forfaitair van aard. Dit betekent dat de bestuursrechter voor iedere proceshandeling die in de bijlage is opgenomen een punt moet toekennen zodra die handeling heeft plaatsgevonden. Het verschijnen op de zitting is zo'n proceshandeling. De inhoudelijke waarde of het effect van de zitting op de uitkomst van de zaak is daarbij niet relevant. De rechtbank had dus geen ruimte om op grond van de inhoudelijke bijdrage te oordelen dat geen punt verschuldigd was. De tweede grief werd door de Afdeling afgedaan met toepassing van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, zonder nadere motivering, omdat die grief geen vragen opriep die beantwoording verlangen in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Ook EU-rechtelijke vragen speelden geen rol. De Afdeling vernietigt de uitspraak gedeeltelijk, verhoogt de proceskostenvergoeding voor beroep van € 934,00 naar € 1.868,00 en veroordeelt de minister tevens in de kosten van het hoger beroep, voor een totaalbedrag van € 2.802,00.