Hoger beroep niet-ontvankelijk na alsnog genomen nareisbesluit
ECLI:NL:RVS:2026:5743, Raad van State, 28-09-2026, 202502609/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om [persoon] en haar kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van referent tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister van Asiel en Migratie nog geen besluit genomen op de aanvraag van 4 april 2024. Dat heeft hij bij het besluit van 28 augustus 2026 wel gedaan. Wat referent in zijn grieven aanvoert over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
Kern van de zaak
Een referent (vluchteling met verblijfsvergunning) diende een nareisaanvraag in op 4 april 2024 voor gezinsleden. De minister nam niet tijdig een besluit, waarop referent beroep instelde wegens niet tijdig beslissen. Hangende het hoger beroep nam de minister alsnog een afwijzend besluit op 28 augustus 2026.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het belang aan beoordeling is ontvallen nu de minister alsnog een besluit heeft genomen. De minister wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (€ 467,00) omdat het alsnog nemen van het besluit geldt als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75 Awb.
Impactscore
LaagDe uitspraak past enkel vaste rechtspraak toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de praktische betekenis is beperkt tot de processuele afwikkeling van één specifieke nareiszaak.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na alsnog genomen besluit
- 2Alsnog nemen van een besluit hangende beroep tegen niet tijdig beslissen geldt als tegemoetkomen (art. 8:75 Awb)
- 3Proceskosten worden toegewezen met wegingsfactor 0,5 vanwege het beperkte karakter van het geschil (niet-tijdig beslissen)
- 4Het besluit van 28 augustus 2026 wordt van rechtswege geacht onderwerp van het geding te zijn (art. 6:20 lid 3 jo. 6:24 Awb)
- 5Beroep van rechtswege tegen het nieuwe besluit wordt verwezen naar de minister ter behandeling als bezwaar (art. 6:20 lid 4 Awb)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste Afdelingsrechtspraak dat het alsnog nemen van een besluit hangende beroep tegen niet tijdig beslissen kwalificeert als tegemoetkomen ex artikel 8:75 Awb, met proceskostenveroordeling als gevolg. De toepassing van wegingsfactor 0,5 in dit type zaken wordt herbevestigd.
Praktische impact
Referent heeft geen inhoudelijke beslissing op zijn hoger beroep gekregen, maar ontvangt wel een proceskostenvergoeding. Het afwijzende nareisbesluit van 28 augustus 2026 wordt doorgestuurd als bezwaarschrift, waarmee referent een nieuwe rechtsingang krijgt om de inhoudelijke afwijzing aan te vechten.
Onderwerp-impact
In nareis- en gezinsherenigingszaken onderstreept deze uitspraak dat de minister bij structureel niet tijdig beslissen steeds proceskosten riskeert, en dat het doorverwijzen naar bezwaar de rechtsbescherming van vreemdelingen bij inhoudelijke afwijzingen waarborgt.
Samenvatting
In deze zaak had een referent — vermoedelijk een erkende vluchteling — op 4 april 2024 een nareisaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie ten behoeve van zijn gezinsleden. Omdat de minister niet binnen de geldende beslistermijn een besluit nam, stelde referent beroep in bij de rechtbank wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank stelde een nieuwe beslistermijn vast. Referent ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij hij grieven aanvoerde over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn. Hangende dit hoger beroep nam de minister op 28 augustus 2026 alsnog een besluit op de nareisaanvraag — een afwijzend besluit. De centrale juridische vraag was of referent nog procesbelang had bij beoordeling van zijn hoger beroep nu het bestreden nalaten (niet tijdig beslissen) was geëindigd. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend: nu het besluit er is, ontbreekt belang bij een uitspraak over de beslistermijn en is het hoger beroep niet-ontvankelijk. Vervolgvraag was of de minister in de proceskosten moest worden veroordeeld. Conform vaste Afdelingsrechtspraak (onder meer ECLI:NL:RVS:2019:665 en ECLI:NL:RVS:2024:4296) geldt het alsnog nemen van een besluit hangende het beroep tegen niet tijdig beslissen als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75 Awb. De minister wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 467,00 aan proceskosten, met toepassing van wegingsfactor 0,5 omdat het geschil uitsluitend over niet tijdig beslissen ging. Ten slotte wordt het van rechtswege ontstane beroep tegen het afwijzende besluit van 28 augustus 2026 op grond van artikel 6:20 lid 4 Awb verwezen naar de minister ter behandeling als bezwaar, nu referent niet heeft aangegeven het met dat besluit oneens te zijn in het kader van dit geding.