Hoger beroep vreemdeling over ingebrekestelling tijdens moratorium ongegrond
ECLI:NL:RVS:2026:5740, Raad van State, 01-10-2026, BRS.25.001780
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Het geschil betreft de vraag of een vreemdeling de minister in gebreke kan stellen tijdens een besluit- en vertrekmoratorium. De zaak draaide om de rechtmatigheid van die ingebrekestelling en de gevolgen daarvan.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat de opgeworpen rechtsvraag al eerder door de Afdeling is beantwoord in een uitspraak van 9 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5232), en het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van een reeds gevestigde rechtslijn en voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe. De afdoening via artikel 91 lid 2 Vw 2000 impliceert uitdrukkelijk dat er geen bredere juridische betekenis aan toekomt.
Belangrijkste punten
- 1Het hoger beroep is afgedaan op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (vereenvoudigde afdoening zonder nadere motivering).
- 2De rechtsvraag over ingebrekestelling tijdens een besluit- en vertrekmoratorium was al beantwoord in RvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232.
- 3De Afdeling ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, gelet op de Cilfit-doctrine en de arresten Consorzio Italian Management en Remling.
- 4Redelijkerwijs bestaat geen twijfel over het antwoord op de opgeworpen vragen, zodat prejudiciële verwijzing niet is vereist.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat een vreemdeling de minister niet met succes in gebreke kan stellen tijdens een besluit- en vertrekmoratorium, en dat hierover geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld hoeven te worden. De toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 onderstreept de bevoegdheid tot vereenvoudigde afdoening bij reeds beantwoorde rechtsvragen.
Praktische impact
Voor vreemdelingen die tijdens een moratorium een ingebrekestelling willen indienen biedt deze uitspraak weinig perspectief; de eerder uitgezette lijn wordt bevestigd. Advocaten in vreemdelingenrechtpraktijken worden hiermee opnieuw gewezen op de beperkte kansen van dergelijke hoger beroepen.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft beperkte praktische impact voor de bredere overheidspraktijk rondom moratoriumregelingen, maar bevestigt de procedurele grenzen voor vreemdelingen in de verblijfsprocedure.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gericht tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van het geschil was de vraag of een vreemdeling de minister rechtsgeldig in gebreke kan stellen tijdens een besluit- en vertrekmoratorium op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De appellant, bijgestaan door een advocaat, betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over deze ingebrekestelling. De Afdeling heeft het hoger beroep op vereenvoudigde wijze afgedaan op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000. Dit betekent dat de uitspraak niet nader gemotiveerd hoeft te worden, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat de opgeworpen rechtsvraag reeds was beantwoord in haar uitspraak van 9 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5232), waarin is geoordeeld over precies dezelfde situatie. Het hoger beroep bood geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Ten aanzien van een mogelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde de Afdeling dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Onder verwijzing naar de Cilfit-rechtspraak en de nadere precisering in de arresten Consorzio Italian Management en Remling bestaat dan ook geen verplichting tot prejudiciële verwijzing. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact en bevestigt uitsluitend een reeds gevestigde lijn in het vreemdelingenrecht.