JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5736Laag12/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS

ECLI:NL:RVS:2026:5736, Raad van State, 02-10-2026, BRS.26.003813

Raad van StateUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 28 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.003813
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Verkorte Afdoening
Vreemdelingenwet
Artikel 91 Vw2000
Hoger Beroep Ongegrond
Unierecht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een appellant (vertegenwoordigd door mr. S.N. Arikan) stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. De exacte aard van het geschil (vergunning, uitzetting of anderszins) blijkt niet volledig uit de beschikbare tekst, maar het betreft een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (art. 91 lid 2 Vw 2000), en evenmin vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard verkorte afdoening zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling of nieuwe rechtsvragen; de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de specifieke zaak.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van de verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist.
  • 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 9.1 en 11) integraal over.
  • 3Geen Unierechtelijke vragen die beantwoording vereisen, conform HvJEU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243).
  • 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant.
  • 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat past bij routinematige vreemdelingenzaken zonder bijzondere rechtsvragen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van de standaard verkorte afdoeningsgrond ex artikel 91 lid 2 Vw 2000, waarbij ook wordt gerefereerd aan recente HvJEU-jurisprudentie (Remling, 2026) over de afbakening van de Unierechtelijke motiveringsplicht. Er is geen nieuwe rechtsontwikkeling.

Praktische impact

Voor appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat de beslissing van de minister onherroepelijk vaststaat en hij geen verdere rechtsmiddelen meer heeft binnen de Nederlandse procedure. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de Raad van State de verkorte afdoening blijft hanteren voor zaken zonder principiële rechtsvragen, wat de doorlooptijd in routinezaken beperkt houdt.

Samenvatting

In deze vreemdelingenrechtelijke procedure stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De precieze grondslag van het geschil — vermoedelijk een beslissing van de minister in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 — blijkt niet volledig uit de beschikbare uitspraaktekst, maar de zaak draait om de vraag of de rechtbank terecht het beroep tegen die ministeriele beslissing had verworpen. De Afdeling past de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op basis van deze bepaling hoeft een uitspraak niet verder te worden gemotiveerd indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelt vast dat daarvan in dit geval geen sprake is. Tevens roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht, zoals vereist conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank — met name de overwegingen 9.1 en 11 — integraal over en bevestigt de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De beslissing is genomen door een enkelvoudige kamer, wat gebruikelijk is bij routinematige vreemdelingenzaken zonder principiële rechtsvragen. De uitspraak heeft daarmee voor appellant als eindresultaat dat de ministeriele beslissing onherroepelijk wordt en er geen verdere nationale rechtsmiddelen meer openstaan.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 7 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vastgoed
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5931

Raad van State beoordeelt weigering kantoor-naar-wonen verbouwing Hilversum

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RVS:2026:5924

RvS vernietigt handhavingsbesluit scootmobielbergingen maar laat rechtsgevolgen in stand

28/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Zorg
ECLI:NL:RVS:2026:5867

RvS stelt prejudiciële vragen over Dublin-overgangsrecht AMB-verordening

72/100Bekijk
Raad van State·7 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RVS:2026:5900

RvS vernietigt handhavingsweigering bij kerktuinmuur opening Weesp

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen