Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:5736, Raad van State, 02-10-2026, BRS.26.003813
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant (vertegenwoordigd door mr. S.N. Arikan) stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. De exacte aard van het geschil (vergunning, uitzetting of anderszins) blijkt niet volledig uit de beschikbare tekst, maar het betreft een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (art. 91 lid 2 Vw 2000), en evenmin vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard verkorte afdoening zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling of nieuwe rechtsvragen; de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de specifieke zaak.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist.
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 9.1 en 11) integraal over.
- 3Geen Unierechtelijke vragen die beantwoording vereisen, conform HvJEU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant.
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat past bij routinematige vreemdelingenzaken zonder bijzondere rechtsvragen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de standaard verkorte afdoeningsgrond ex artikel 91 lid 2 Vw 2000, waarbij ook wordt gerefereerd aan recente HvJEU-jurisprudentie (Remling, 2026) over de afbakening van de Unierechtelijke motiveringsplicht. Er is geen nieuwe rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Voor appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat de beslissing van de minister onherroepelijk vaststaat en hij geen verdere rechtsmiddelen meer heeft binnen de Nederlandse procedure. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de Raad van State de verkorte afdoening blijft hanteren voor zaken zonder principiële rechtsvragen, wat de doorlooptijd in routinezaken beperkt houdt.
Samenvatting
In deze vreemdelingenrechtelijke procedure stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De precieze grondslag van het geschil — vermoedelijk een beslissing van de minister in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 — blijkt niet volledig uit de beschikbare uitspraaktekst, maar de zaak draait om de vraag of de rechtbank terecht het beroep tegen die ministeriele beslissing had verworpen. De Afdeling past de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op basis van deze bepaling hoeft een uitspraak niet verder te worden gemotiveerd indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelt vast dat daarvan in dit geval geen sprake is. Tevens roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht, zoals vereist conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank — met name de overwegingen 9.1 en 11 — integraal over en bevestigt de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De beslissing is genomen door een enkelvoudige kamer, wat gebruikelijk is bij routinematige vreemdelingenzaken zonder principiële rechtsvragen. De uitspraak heeft daarmee voor appellant als eindresultaat dat de ministeriele beslissing onherroepelijk wordt en er geen verdere nationale rechtsmiddelen meer openstaan.