JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:564Middel38/100

RvS herziet verschoonbaarheidsoordeel termijnoverschrijding vreemdelingenzaak

ECLI:NL:RVS:2026:564, Raad van State, 30-01-2026, 202306348/1/V1

Raad van StateUitspraak: 30 januari 2026Publicatie: 2 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202306348/1/V1
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Niet Ontvankelijk
Vreemdelingenrecht
Termijnoverschrijding
Bezwaartermijn
Verschoonbaarheid

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 14 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat betrokkene geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Kern van de zaak

Een Poolse vrouw maakte te laat bezwaar tegen twee besluiten van de minister (IND). De minister verklaarde haar bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de vierwekentermijn. De rechtbank oordeelde de overschrijdingen verschoonbaar vanwege gezondheidsklachten, stress en gebrek aan rechtsbijstand.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister ten aanzien van het besluit van 14 juli 2022 gegrond: de termijnoverschrijding in die zaak is niet verschoonbaar en het beroep daartegen wordt alsnog ongegrond verklaard. Voor het besluit van 16 december 2022 blijft de uitspraak van de rechtbank in stand op andere gronden, en de minister moet alsnog op het bezwaar beslissen.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt en verfijnt bestaande rechtspraak over verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen in vreemdelingenzaken zonder fundamenteel nieuwe rechtsregels te stellen, maar is relevant voor de praktijk van vreemdelingenrechtadvocaten en bestuursorganen.

Belangrijkste punten

  • 1Termijnoverschrijding bezwaartermijn (art. 69 Vw 2000 jo. art. 6:11 Awb) is slechts in zeer bijzondere gevallen verschoonbaar
  • 2Gezondheidsklachten, stress en gebrek aan rechtsbijstand volstaan niet automatisch voor verschoonbaarheid bij het eerste besluit
  • 3De Afdeling sluit aan bij de koerswijziging van het CBb van 30 januari 2024 inzake verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen
  • 4Onderscheid wordt gemaakt tussen de twee besluiten: voor het besluit van 14 juli 2022 is geen verschoonbaarheid aangenomen, voor het besluit van 16 december 2022 wel (op andere gronden)
  • 5De minister is gehouden alsnog inhoudelijk te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2022

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toetsingsmaatstaf voor verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen in vreemdelingenzaken en sluit aan bij recente CBb-rechtspraak over de invulling van artikel 6:11 Awb. Persoonlijke omstandigheden als gezondheidsklachten en stress zijn op zichzelf onvoldoende voor verschoonbaarheid.

Praktische impact

Vreemdelingen en hun gemachtigden worden gewaarschuwd dat persoonlijke en sociale omstandigheden zoals ziekte en stress doorgaans onvoldoende zijn om een te laat ingediend bezwaar alsnog ontvankelijk te krijgen. Tijdige rechtsbijstand is essentieel.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenprocedures is naleving van de strikte bezwaartermijn van vier weken cruciaal; uitzonderingen worden spaarzaam toegestaan en vereisen echt bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

Samenvatting

In deze zaak staat centraal of een Poolse vrouw terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaren tegen twee besluiten van de minister van Justitie en Veiligheid (IND), wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van vier weken (artikel 69 Vw 2000). De minister had beide bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de termijnoverschrijdingen niet verschoonbaar waren in de zin van artikel 6:11 Awb. De rechtbank oordeelde anders en achtte beide overschrijdingen wél verschoonbaar, gelet op de gezondheidsklachten van betrokkene, haar gebrek aan juridische ervaring, het ontbreken van aanvankelijke rechtsbijstand en de stress die zij ondervond door beëindiging van haar bijstandsuitkering en een terugvorderingsbesluit van de gemeente Den Haag. De Raad van State gaat in hoger beroep gedeeltelijk mee met de minister. Ten aanzien van het besluit van 14 juli 2022 stelt de Afdeling vast dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden – hoe begrijpelijk ook – geen verschoonbare termijnoverschrijding opleveren. Daarbij verwijst de Afdeling naar vaste rechtspraak dat slechts in zeer bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op het dwingende karakter van de bezwaartermijn, en sluit zij aan bij de koersbevestiging van het CBb in vier uitspraken van 30 januari 2024. Het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit inzake het eerste besluit wordt alsnog ongegrond verklaard. Voor het besluit van 16 december 2022 laat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank in stand, zij het op andere gronden. De minister dient alsnog inhoudelijk op het bezwaar tegen dat besluit te beslissen. De uitspraak benadrukt dat persoonlijke omstandigheden als ziekte, stress en gebrek aan rechtsbijstand in beginsel onvoldoende zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, en onderstreept het belang van tijdige professionele rechtsbijstand in vreemdelingrechtelijke procedures.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:RBGEL:2026:5525Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBGEL:2026:5525, Rechtbank Gelderland, 13-07-2026, AWB-25_4431 e.a.

Rechtbank Gelderland13 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied