RvS vernietigt niet-ontvankelijkheid asiel Syrisch gezin uit Hongarije
ECLI:NL:RVS:2026:5440, Raad van State, 14-09-2026, 202407963/1/V2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 september 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van de zaak
Een Syrisch gezin met internationale beschermingsstatus in Hongarije vroeg in 2024 asiel aan in Nederland, stellend dat de situatie in Hongarije onhoudbaar is. De minister verklaarde de aanvragen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a lid 1 sub a Vw 2000, vertrouwend op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het gezin ging in beroep en daarna in hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het ministersbesluit. Doorslaggevend is de eerdere RvS-uitspraak van 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1781) waarin de algemene situatie voor statushouders in Hongarije opnieuw is beoordeeld en kennelijk tot een andere conclusie leidt dan de minister had aangenomen.
Impactscore
HoogDe uitspraak bouwt voort op een richtinggevende RvS-lijnuitspraak van maart 2026 over Hongarije en heeft directe gevolgen voor een reeks vergelijkbare zaken van statushouders die vanuit Hongarije naar Nederland zijn gekomen; de Raad van State als hoogste bestuursrechter geeft hiermee een duidelijk signaal over de grenzen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Belangrijkste punten
- 1Niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 30a lid 1 sub a Vw 2000 vereist dat het vermoeden van naleving internationale verplichtingen door de lidstaat stand houdt.
- 2De RvS-uitspraak van 26 maart 2026 over de algemene situatie voor statushouders in Hongarije vormt de beslissende maatstaf voor deze zaak.
- 3Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt niet onbegrensd; de situatie in Hongarije kan dit vermoeden ondermijnen.
- 4De grief over bijzondere kwetsbaarheid (Ibrahim-criterium) wordt meegenomen in de beoordeling.
- 5De derde grief over het ontbreken van internationale bescherming voor alle gezinsleden wordt met toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nadere motivering verworpen.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt dat de algemene situatie in een lidstaat bepalend kan zijn voor de houdbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij niet-ontvankelijkverklaringen, en dat recente RvS-jurisprudentie over landensituaties direct doorwerkt in individuele zaken. De beslissing versterkt de toetsingsnorm voor artikel 30a Vw 2000-besluiten jegens statushouders in EU-lidstaten.
Praktische impact
Het Syrische gezin krijgt een nieuwe inhoudelijke behandeling van hun asielaanvraag in Nederland; de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de actuele landenbeoordeling voor Hongarije. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van € 2.802,00 aan proceskosten.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers met bescherming in Hongarije opent deze uitspraak de mogelijkheid om met succes de niet-ontvankelijkheid te betwisten op basis van de verslechterde situatie in dat land, wat kan leiden tot meer gegrondverklaringen van vergelijkbare zaken.
Samenvatting
Een Syrisch gezin dat in 2014 internationale beschermingsstatus in Hongarije had verkregen, vroeg in 2024 asiel aan in Nederland omdat de situatie in Hongarije volgens hen onhoudbaar was geworden. De minister van Asiel en Migratie verklaarde de aanvragen niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000: het gezin had al bescherming in een EU-lidstaat en op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht worden aangenomen dat Hongarije zijn internationale verplichtingen naleeft. De minister oordeelde ook dat het gezin niet bijzonder kwetsbaar was in de zin van het HvJ EU-arrest Ibrahim (2019). De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, bevestigde dit standpunt in december 2024. In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State keerden appellanten zich tegen beide oordelen. De Afdeling oordeelt op 14 september 2026 dat het hoger beroep gegrond is. Cruciaal daarbij is de eerder door de Afdeling gewezen uitspraak van 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1781), waarin de algemene situatie voor statushouders in Hongarije uitvoerig is beoordeeld. Uit die beoordeling volgt klaarblijkelijk dat de situatie in Hongarije dermate problematisch is dat het vermoeden dat Hongarije zijn internationale verplichtingen nakomt, niet langer onverkort kan worden gehandhaafd. De Afdeling vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het ministersbesluit van 6 september 2024 en veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,00 aan proceskosten. De derde grief, over de vraag of alle gezinsleden daadwerkelijk bescherming hadden gekregen, wordt met toepassing van het filterartikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nadere motivering verworpen als niet rechtseenheidswaardig. De zaak illustreert hoe veranderende landensituaties het interstatelijk vertrouwensbeginsel kunnen doorbreken en hoe lijnuitspraken van de Afdeling directe consequenties hebben voor individuele procedures.