Subsidie jonge landbouwer afgewezen wegens bedrijfsovername vóór 2023
ECLI:NL:CBB:2026:441, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/55
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Subsidiemodule vestiging voor jonge landbouwers; afwijzing subsidieaanvraag omdat de vestiging (overname) van het landbouwbedrijf voor 1 januari 2023 heeft plaatsgevonden (artikel 5.9.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling). Deze datum volgt uit de systematiek van Verordening (EU) 2115/2021. Het verstrekken van subsidie in strijd met de vestigingsvoorwaarde, zou leiden tot ongeoorloofde staatssteun als bedoeld in artikel 107 van het VWEU. Dit volgt uit artikel 145, tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2115. Geen toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanwege Europees staatssteunkader.
Kern van de zaak
Een jonge landbouwer nam op 23 februari 2022 het bedrijf van zijn vader over en vroeg in juni 2024 vestigingssubsidie aan voor jonge landbouwers. De minister wees de aanvraag af omdat de vestiging vóór 1 januari 2023 had plaatsgevonden, de ingangsdatum van het nieuwe GLB-kader.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard. De doorslaggevende reden is dat artikel 5.9.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling vereist dat de vestiging van het landbouwbedrijf op of na 1 januari 2023 heeft plaatsgevonden, terwijl de bedrijfsovername al in februari 2022 had plaatsgevonden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past een heldere wettelijke peildatumbepaling toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de uitkomst is weinig verrassend en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare individuele gevallen.
Belangrijkste punten
- 1De subsidiemodule vestiging jonge landbouwers is gebaseerd op Verordening (EU) 2021/2115, die op 1 januari 2023 in werking trad.
- 2Artikel 5.9.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling stelt als harde voorwaarde dat de vestiging ná 1 januari 2023 moet hebben plaatsgevonden.
- 3De bedrijfsovername vond plaats op 23 februari 2022, ruim vóór de ingangsdatum van het nieuwe GLB-kader.
- 4De steun valt op grond van artikel 145, tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2115 buiten de staatssteunregels (artikelen 107-109 VWEU).
- 5Het College wijst het beroep af en kent geen proceskostenvergoeding toe.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de peildatum van 1 januari 2023 een harde materiële toelatingseis is voor vestigingssubsidie jonge landbouwers, waarvan niet kan worden afgeweken ongeacht de omstandigheden van de overname. Dit verduidelijkt de reikwijdte van het nieuwe GLB-subsidieregime.
Praktische impact
Jonge landbouwers die hun bedrijf vóór 1 januari 2023 hebben overgenomen of gestart, komen structureel niet in aanmerking voor deze vestigingssubsidie, ook als zij de aanvraag pas later indienen.
Onderwerp-impact
Voor de agrarische sector betekent dit dat de generatievernieuwingssubsidie uitsluitend ten goede komt aan bedrijfsoverdrachten onder het nieuwe GLB 2023-2027, waardoor een groep vroege overnemers buiten de boot valt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een jonge landbouwer die op 23 februari 2022 het landbouwbedrijf van zijn vader overnam en op 6 juni 2024 subsidie aanvroeg in het kader van de subsidiemodule vestiging voor jonge landbouwers. Deze module is onderdeel van de nationale uitwerking van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023-2027, gebaseerd op Verordening (EU) 2021/2115 die op 1 januari 2023 in werking trad. Het doel van de subsidie is generatievernieuwing in de landbouwsector te bevorderen door financiële drempels bij bedrijfsstart of -overname te verlagen. De minister wees de aanvraag af op grond van artikel 5.9.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling, dat bepaalt dat de vestiging van het landbouwbedrijf op of na 1 januari 2023 moet hebben plaatsgevonden. Omdat de bedrijfsovername ruim vóór deze datum had plaatsgevonden, voldeed de aanvrager niet aan deze toelatingseis. De rechtsvraag was of de minister de aanvraag terecht op grond van deze peildatumeis had afgewezen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat dit het geval is. De wettelijke eis is helder en sluit aan op het Europese kader: de subsidieregeling is expliciet gekoppeld aan het nieuwe GLB-regime dat per 1 januari 2023 van kracht werd. De aanvrager kon kennelijk begrijpen dat hij niet aan de voorwaarden voldeed, en het College zag geen grond voor een andere uitleg of toepassing van de regeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak illustreert dat de peildatum van 1 januari 2023 een strikte materiële drempeleis vormt, waarvan in individuele gevallen niet kan worden afgeweken.