Subsidie jonge landbouwer afgewezen wegens onvoldoende bedrijfsovername
ECLI:NL:CBB:2026:430, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/353
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Subsidiemodule vestiging voor jonge landbouwers. Afwijzing aanvraag omdat niet is voldaan aan de vereisten van vestiging van een landbouwbedrijf. In geschil is hoe moet worden beoordeeld of de jonge landbouwer meer dan vijftig procent van het bedrijf economisch en juridisch in eigendom heeft gekregen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gedeeltelijke overname kijkt de minister naar de oppervlakte van de landbouwgrond. De landbouwgrond vormt volgens de minister, tezamen met de daarop aanwezige bedrijfsgebouwen, het grootste deel van de waarde van het landbouwbedrijf. De tekst van de Regeling sluit evenwel niet uit dat een ‘bedrijf’ meer omvat dan alleen de oppervlakte van percelen. De enkele stelling dat naast de eigendomsverhouding van de percelen, de waarde van de bedrijfsopstallen zodanig hoog is dat de waarde van de overige activa niet tot een andere uitkomst kan leiden, vormt geen toereikende motivering waarom deze activa buiten beschouwing zijn gelaten. Daarmee heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende vermogensbestanddelen van het landbouwbedrijf waardeert. In het geval van de landbouwgrond heeft de minister uitsluitend gekeken naar de oppervlakte in hectares en niet naar de economische waarde van die percelen. Ook heeft de minister de waarde van de opstallen weliswaar als aanzienlijk ingeschat, maar deze inschatting niet onderbouwd, bijvoorbeeld op basis van de WOZ-waarde of een taxatierapport. Over de waardering van de overige activa heeft de minister zich in het geheel niet uitgelaten. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
Kern van de zaak
Een maatschap bestaande uit vader en zoon (jonge landbouwer) vroeg subsidie aan voor vestiging van jonge landbouwers. De minister wees de aanvraag af omdat de jonge landbouwer na de gedeeltelijke overname niet meer dan 50% economisch en juridisch eigendom van het landbouwbedrijf bezit. De zaak betreft de uitleg van de overnamecriteria onder de GLB-subsidieregeling.
Beslissing van de rechter
De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen op grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde van een gedeeltelijke overname waarbij de jonge landbouwer meer dan 50% economisch én meer dan 50% van de totale oppervlakte in juridische eigendom heeft. De doorslaggevende reden is dat bij de beoordeling van eigendomspercentages primair wordt gekeken naar de oppervlakte landbouwgrond, waarvan de jonge landbouwer onvoldoende bezit. De uitspraak betreft een tussenstand; de volledige beslissing ontbreekt in de aangeleverde tekst.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische relevantie voor een specifieke doelgroep (jonge landbouwers in maatschapsverband) en verduidelijkt de uitleg van overnamecriteria, maar is beperkt tot sectorspecifieke subsidieregeling en heeft geen bredere rechtsontwikkelende werking. De tekst is bovendien onvolledig, wat de beoordeling bemoeilijkt.
Belangrijkste punten
- 1Subsidiemodule vestiging jonge landbouwers is gebaseerd op Verordening (EU) 2021/2115 (GLB 2023-2027) en uitgewerkt in het Nationaal Strategisch Plan GLB 2023-2027
- 2Vereiste is dat de jonge landbouwer na overname meer dan 50% economisch én meer dan 50% van de oppervlakte in juridische eigendom heeft (artikel 5.9.1 Regeling)
- 3De minister beoordeelt eigendomsverhouding primair aan de hand van de oppervlakte landbouwgrond
- 4De minister erkent dat naast registergoederen ook overige activa meegewogen kunnen worden bij bepaling van het economisch eigendomspercentage
- 5De aanvraag betreft een vader-zoonmaatschap waarbij de jonge landbouwer onvoldoende aandeel in het bedrijf bezit om aan de 50%-drempel te voldoen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de uitleg van het overnamebegrip in artikel 5.9.1 van de Regeling vestiging jonge landbouwers, met name de wijze waarop het eigendomspercentage wordt bepaald (nadruk op oppervlakte landbouwgrond, maar ook overige activa tellen mee). Dit is relevant voor toekomstige aanvragen waarbij sprake is van gedeeltelijke bedrijfsovername binnen een maatschapsverband.
Praktische impact
Jonge landbouwers die via een maatschap met een ouder een bedrijf gedeeltelijk overnemen, dienen er zorg voor te dragen dat zij aantoonbaar meer dan 50% van de landbouwgrond (en overige activa) in eigendom of economisch eigendom verkrijgen om voor de vestigingssubsidie in aanmerking te komen.
Onderwerp-impact
Voor de agrarische sector benadrukt deze uitspraak dat de GLB-vestigingssubsidie strikt wordt getoetst aan kwantitatieve eigendomsdrempels, wat gevolgen heeft voor de structurering van bedrijfsovernames en -overgangsconstructies tussen generaties.
Samenvatting
Deze zaak betreft een beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de afwijzing van een subsidieaanvraag in het kader van de subsidiemodule vestiging jonge landbouwers. De subsidie is bedoeld om generatievernieuwing in de landbouwsector te bevorderen door financiële drempels bij bedrijfsstart of -overname te verlagen. De Europese grondslag is gelegen in Verordening (EU) 2021/2115 (het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027), uitgewerkt in het Nationaal Strategisch Plan GLB en de nationale Regeling. Een maatschap bestaande uit een vader en zijn zoon vroeg op 31 juli 2024 vestigingssubsidie aan. De minister wees de aanvraag af op grond van artikel 5.9.2 jo. 5.9.1 van de Regeling: er zou geen sprake zijn van een (gedeeltelijke) vestiging, omdat de jonge landbouwer na overname niet meer dan 50% economisch en niet meer dan 50% van de totale oppervlakte in juridische eigendom bezit. Centrale juridische vraag is hoe het eigendomspercentage moet worden bepaald: uitsluitend op basis van de oppervlakte landbouwgrond, of ook op basis van overige bedrijfsactiva? De minister erkende ter zitting dat ook overige activa (niet zijnde registergoederen) meegewogen kunnen worden bij de bepaling van het economisch eigendomspercentage. Voor de oppervlaktetoets blijft de landbouwgrond echter de primaire maatstaf. In dit geval voldeed de jonge landbouwer niet aan de vereiste drempel. De uitspraak is relevant voor de praktijk van bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector, omdat zij verduidelijkt hoe de 50%-eigendomsdrempel wordt beoordeeld in situaties van gedeeltelijke overname binnen familieverband. De volledige beslissing ontbreekt in de aangeleverde tekst, waardoor de definitieve uitkomst van het beroep niet met zekerheid kan worden vastgesteld.