Beroep maatschap niet-ontvankelijk na alsnog verleende subsidie
ECLI:NL:CBB:2026:431, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/214
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Subsidiemodule voor vestiging jonge landbouwers. Geen procesbelang bij beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag voor het jaar 2024. Naar aanleiding van een nieuwe subsidieaanvraag voor het jaar 2025 is subsidie verleend ter hoogte van het vaste bedrag van € 80.000,- en deze subsidie kan slechts één keer worden verstrekt. Volgens vaste rechtspraak is geen zelfstandig procesbelang gelegen in een verzoek om proceskostenvergoeding. Ander procesbelang is niet gesteld. Geen proceskostenvergoeding omdat niet tegemoet is gekomen.
Kern van de zaak
Een maatschap had beroep ingesteld tegen een weigering van subsidie voor vestiging van jonge landbouwers. Nadat de minister alsnog een subsidie van € 80.000,- voor een later jaar toekende, wilde de maatschap het beroep intrekken, maar alleen als haar proceskosten werden vergoed. De minister weigerde dit, waarna het College moest beoordelen of de maatschap nog procesbelang had.
Beslissing van de rechter
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Nu de maatschap de maximaal eenmalig te verstrekken subsidie van € 80.000,- alsnog heeft ontvangen, is er geen te beschermen belang meer, en een zelfstandig belang bij proceskostenvergoeding volstaat daarvoor niet.
Impactscore
LaagDe uitspraak past geheel binnen bestaande vaste rechtspraak over procesbelang en proceskostenvergoeding en heeft geen zelfstandige rechtsvormende betekenis; de impact is beperkt tot de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1De subsidie voor vestiging van jonge landbouwers kan op grond van artikel 5.9.5 lid 1 sub g van de Regeling slechts eenmalig worden verstrekt; na toekenning voor een later jaar bestaat geen procesbelang meer.
- 2Volgens vaste rechtspraak levert een verzoek om proceskostenvergoeding geen zelfstandig procesbelang op.
- 3De maatschap is ondanks mededeling dat het procesbelang ter zitting zou worden besproken, niet verschenen en heeft evenmin gereageerd.
- 4Omdat de subsidie werd toegekend naar aanleiding van een nieuwe aanvraag en niet als gevolg van het beroep, bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.
- 5Het College hoeft het beroep inhoudelijk niet te beoordelen nu het procesbelang ontbreekt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een verzoek om proceskostenvergoeding geen zelfstandig procesbelang oplevert en dat het procesbelang ook vervalt als de gevraagde prestatie langs een andere weg wordt verkregen, ongeacht het subsidiejaar. Dit heeft betekenis voor bestuursrechtelijke procedures waarbij gedurende de procedure alsnog aan het materiële verzoek wordt voldaan.
Praktische impact
De maatschap ontvangt de gewenste subsidie van € 80.000,- maar krijgt haar proceskosten niet vergoed; de minister hoeft de gemaakte juridische kosten van de maatschap niet te dragen.
Onderwerp-impact
Voor jonge landbouwers die subsidie aanvragen en geconfronteerd worden met een aanvankelijke weigering, illustreert deze uitspraak dat het verkrijgen van de subsidie via een hernieuwde aanvraag de lopende beroepsprocedure kan 'neutraliseren' zonder dat proceskosten worden vergoed.
Samenvatting
Deze zaak betreft een maatschap die beroep had ingesteld tegen een besluit van de minister waarbij haar aanvraag om subsidie voor de vestiging van jonge landbouwers was afgewezen. Gedurende de beroepsprocedure kende de minister op 31 oktober 2025 alsnog een subsidie van € 80.000,- toe op basis van een nieuwe aanvraag voor het jaar 2025. Omdat het hier een eenmalige subsidie betreft die ingevolge artikel 5.9.5, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling slechts éénmaal aan een jonge landbouwer kan worden verstrekt, was daarmee aan de kern van het geschil tegemoetgekomen. De maatschap gaf aan bereid te zijn het beroep in te trekken, maar stelde als voorwaarde dat haar proceskosten werden vergoed. De minister weigerde dit, waarop het College de zaak op de zitting van 29 juni 2026 behandelde. De maatschap verscheen noch schriftelijk, noch ter zitting, ondanks een expliciete mededeling dat het procesbelang en de proceskostenvergoeding daar aan de orde zouden komen. Het College oordeelde dat de maatschap geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De eenmalige subsidie is inmiddels verstrekt, zodat een gunstige uitspraak in de beroepsprocedure niets meer kan toevoegen. Dat de subsidie betrekking heeft op een ander subsidiejaar doet daaraan niet af. Het College benadrukt voorts de vaste rechtspraak dat een verzoek om proceskostenvergoeding op zichzelf geen zelfstandig procesbelang oplevert. Nu de subsidie is toegekend naar aanleiding van een nieuwe aanvraag en niet als rechtstreeks gevolg van het beroep, bestaat evenmin grond voor een proceskostenveroordeling van de minister. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.