RvS: geen gvva zonder tijdige vacaturemelding bij UWV
ECLI:NL:RVS:2026:5431, Raad van State, 16-09-2026, BRS.26.001104
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Surinaamse vrouw vroeg een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) aan om als assistent-accountant te werken bij een Nederlandse werkgever. Het UWV adviseerde negatief omdat niet aan meerdere voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen was voldaan. De minister wees de aanvraag af; de rechtbank vernietigde dat besluit gedeeltelijk, waarna de minister in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond. Doorslaggevend is dat de werkgever de vacature niet ten minste vijf weken vóór de aanvraag bij het UWV heeft gemeld, wat een dwingende en zelfstandig dragende weigeringsgrond is op grond van artikel 8, eerste lid, onder b, Wav.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaand recht en verduidelijkt de dwingende werking van artikel 8, eerste lid, onder b, Wav, zonder nieuwe rechtsnormen te introduceren; de praktische relevantie voor werkgevers en arbeidsmigranten is echter aanzienlijk.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8, eerste lid, onder b, Wav is dwingend geformuleerd: tijdige vacaturemelding (minimaal vijf weken voor aanvraag) bij het UWV is een harde voorwaarde.
- 2De rechtbank oordeelde ten onrechte dat deze dwingende grond de afwijzing niet zelfstandig kon dragen, enkel omdat de minister ter zitting had gesuggereerd dwingende gronden niet altijd strikt toe te passen.
- 3De Raad van State bevestigt dat een uitlating van de minister ter zitting de dwingende wettelijke verplichting niet opzij kan zetten.
- 4De overige weigeringsgronden (prioriteitgenietend aanbod, inspanningen werkgever, gestelde functie-eisen) behoefden geen inhoudelijke beoordeling meer.
- 5De uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) van 9 februari 2026 wordt vernietigd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het dwingende karakter van de tijdige vacaturemelding in de Wav en maakt duidelijk dat een informele mededeling van een bestuursorgaan ter zitting geen afwijking van een wettelijke dwingendrechtelijke verplichting kan rechtvaardigen. Dit versterkt de rechtszekerheid rondom de toepassing van de Wav-weigeringsgronden.
Praktische impact
Werkgevers die buitenlandse werknemers willen aantrekken moeten strikt de vijf-wekentermijn voor vacaturemelding bij het UWV naleven; wordt deze termijn gemist, dan leidt dit onherroepelijk tot afwijzing van de gvva-aanvraag, ongeacht andere omstandigheden.
Onderwerp-impact
Voor arbeidsmigranten en hun werkgevers benadrukt deze uitspraak dat procedurele nalevingsvereisten in het arbeidsmarkttoelatingsstelsel absoluut zijn; zelfs een andersluidende uitlating van de bevoegde minister biedt geen soelaas als de wettelijke termijn niet is gehaald.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Surinaamse vrouw die via haar beoogde Nederlandse werkgever een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) aanvroeg om als assistent-accountant te kunnen werken. Het UWV adviseerde de minister negatief, omdat aan meerdere voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) niet was voldaan. De minister wees de aanvraag af. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) vernietigde dit besluit voor zover het steunde op de gronden inzake prioriteitgenietend aanbod, inspanningen van de werkgever en gestelde functie-eisen, omdat het UWV-advies op die punten onvoldoende zorgvuldig en inzichtelijk was. Ten aanzien van de niet-tijdige vacaturemelding — een onbetwist feit — oordeelde de rechtbank evenwel dat deze weigeringsgrond de afwijzing niet zelfstandig kon dragen, omdat de minister ter zitting had aangegeven dwingende gronden niet altijd strikt toe te passen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dit oordeel niet. Artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wav vereist dwingend dat de werkgever de vacature ten minste vijf weken vóór het indienen van de aanvraag bij het UWV meldt. Partijen waren het erover eens dat aan deze termijn niet was voldaan. De Afdeling oordeelt dat een informele mededeling van de minister ter zitting de dwingende wettelijke verplichting niet opzij kan zetten en dat de afwijzing van de aanvraag reeds op deze grond rechtens juist was. Verdere beoordeling van de overige weigeringsgronden was daarmee niet nodig. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard. De uitspraak onderstreept het absolute karakter van de tijdige vacaturemelding als toegangsvoorwaarde in het Nederlandse arbeidsmarkttoelatingsstelsel.