Hoger beroep SIS-signalering niet-ontvankelijk na verwijdering
ECLI:NL:RVS:2026:5419, Raad van State, 11-09-2026, 202406032/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 22 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en hun opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit).
Kern van de zaak
Appellanten (vreemdelingen) vochten de rechtmatigheid van een SIS-terugkeersignalering aan. De minister verstrekte hen gedurende de procedure een verblijfsdocument, waarna de terugkeerbesluiten vervielen en de SIS-signaleringen werden verwijderd. Appellanten stapten naar de Raad van State in hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, omdat de SIS-signaleringen reeds waren verwijderd en appellanten dus hadden gekregen wat zij nastreefden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat de verwijdering voortvloeide uit de verstrekking van een verblijfsdocument en niet uit erkenning van onrechtmatigheid van de signalering.
Impactscore
LaagDe uitspraak past naadloos binnen bestaande jurisprudentie van de Afdeling over procesbelang en proceskosten en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de praktische betekenis is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Procesbelang verviel doordat de SIS-signaleringen gedurende de procedure al waren verwijderd en verblijfsdocumenten werden verstrekt.
- 2Geen procesbelang betekent niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, ook niet vanwege eventuele principiële betekenis.
- 3De enkele vraag naar proceskostenveroordeling is onvoldoende grond voor inhoudelijke beoordeling.
- 4Geen proceskostenveroordeling: de minister is niet tegemoetgekomen aan appellanten omdat verwijdering plaatsvond wegens verblijfsrecht, niet wegens onrechtmatigheid van de signalering.
- 5De Afdeling bevestigt vaste jurisprudentielijn: bestuursrechter is niet verplicht uitspraak te doen enkel vanwege principiële betekenis (ECLI:NL:RVS:2019:4404).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat het vervallen van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid, en dat een proceskostenveroordeling alleen aan de orde is als de overheid daadwerkelijk aan de appellant tegemoet is gekomen of het belang door eigen toedoen heeft doen vervallen.
Praktische impact
Appellanten hebben feitelijk bereikt wat zij wilden (verwijdering SIS-signalering en verblijfsdocument), maar krijgen de gemaakte proceskosten niet vergoed omdat de rechter oordeelt dat geen sprake was van een tegemoetkoming in juridische zin.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in soortgelijke situaties betekent dit dat een gedurende de procedure verkregen verblijfsstatus de rechtsgang beëindigt zonder dat proceskosten worden vergoed, tenzij aantoonbaar sprake is van een beleidsmatige tegemoetkoming.
Samenvatting
In deze zaak hadden appellanten, vermoedelijk derdelanders, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van een SIS-signalering inzake terugkeer. Gedurende de hogerberoepsprocedure deelde de minister mee voornemens te zijn appellanten een verblijfsdocument te verstrekken. Vervolgens bevestigde de minister op verzoek van de Afdeling dat de terugkeerbesluiten per 3 maart 2025 van rechtswege waren vervallen en dat de SIS-signaleringen inmiddels uit het Schengen Informatie Systeem waren verwijderd. De centrale juridische vraag was of appellanten nog voldoende procesbelang hadden bij voortzetting van het hoger beroep. De Afdeling beantwoordde die vraag ontkennend: het doel van het hoger beroep — verwijdering van de SIS-signaleringen — was al bereikt. Daarmee ontbrak procesbelang en was het hoger beroep niet-ontvankelijk. De Afdeling herhaalde daarbij haar vaste lijn dat noch de vraag naar proceskostenveroordeling, noch de principiële betekenis van een zaak voldoende grond oplevert om toch inhoudelijk te beslissen. Met betrekking tot de proceskosten oordeelde de Afdeling dat geen veroordeling van de minister op zijn plaats was. Een proceskostenveroordeling bij vervallen procesbelang is alleen gerechtvaardigd als de overheid de appellant tegemoet is gekomen of het procesbelang anderszins door eigen toedoen heeft doen vervallen. Nu de signaleringen waren verwijderd als gevolg van de verblijfsrechtelijke positieverbetering van appellanten — en niet omdat de signaleringen als onrechtmatig waren erkend — was van een echte tegemoetkoming in juridische zin geen sprake. De uitspraak is in lijn met eerdere jurisprudentie en bevestigt het belang van het onderscheid tussen feitelijk bereiken van het gewenste resultaat en juridische erkenning van onrechtmatigheid als grondslag voor proceskostenvergoeding.