Raad van State vernietigt afwijzing asielaanvraag Afghaanse psycholoog
ECLI:NL:RVS:2026:5292, Raad van State, 14-09-2026, BRS.25.001438
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 april 2025 heeft een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Afghaanse psycholoog die voor Taliban-machtsovername werkte bij ngo IPSO diende een asielaanvraag in Nederland in. De minister wees deze af omdat hij geen reëel risico op ernstige schade zou lopen bij terugkeer. Appellant stelde in hoger beroep dat de minister cruciale verklaringen over zijn vluchtgedrag en onderduiken niet kenbaar had betrokken bij de beoordeling.
Beslissing van de rechter
De Raad van State vernietigt (gedeeltelijk) de bestreden uitspraak, omdat de minister de verklaringen van appellant over zijn onderduiken na de Taliban-huiszoeking niet kenbaar heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en de rechtbank dit motiveringsgebrek niet heeft onderkend. De doorslaggevende reden is het ontbreken van een inzichtelijke motivering waarom deze voor de risicobeoordeling relevante verklaringen buiten beschouwing zijn gelaten.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een bestaande lijn van motiveringstoetsing in asielzaken en stelt geen nieuwe rechtsregels, maar is relevant voor de categorie Afghaanse ngo-medewerkers en herinnert bestuursorganen aan het kenbaarheidsvereiste bij geloofwaardigheidsoordelen.
Belangrijkste punten
- 1Minister achtte Taliban-huiszoeking en mishandeling in februari 2022 geloofwaardig, maar wees asielaanvraag toch af wegens vermeend ontbreken van reëel risico.
- 2Rechtbank had ten onrechte het motiveringsgebrek van de minister niet onderkend: verklaringen over onderduiken na huiszoeking waren niet kenbaar meegewogen.
- 3Legale uitreis via eigen paspoort werd door minister en rechtbank gebruikt als contra-indicatie voor negatieve Taliban-aandacht; dit oordeel bleef in hoger beroep overeind.
- 4VWN-landeninformatie over omzeiling luchthavencontroles snijdt geen hout voor appellant, die zelf verklaarde de controle niet te hebben omzeild.
- 5De Afdeling oordeelt dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de vluchtverklaringen niet zijn betrokken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bestuursorganen bij asielzaken alle geloofwaardige en relevante verklaringen kenbaar in de motivering moeten betrekken, ook wanneer afzonderlijke elementen in het nadeel van de vreemdeling pleiten. Een selectieve of ongemotiveerde weglating van verklaringen levert een motiveringsgebrek op dat de rechterlijke toetsing doorstaat.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat de zaak (deels) opnieuw moet worden beoordeeld, waarbij de minister alsnog een kenbare en inzichtelijke motivering moet geven over de betekenis van zijn onderduikgedrag voor het risicoprofiel. Voor andere ngo-medewerkers uit Afghanistan biedt de uitspraak steun voor het argument dat hun concrete vlucht- en onderduikverklaringen afzonderlijk en expliciet moeten worden gewogen.
Onderwerp-impact
In asielzaken betreffende (voormalig) ngo-medewerkers in Afghanistan onderstreept deze uitspraak dat naast algemene ambtsbericht-informatie ook individuele feitelijke verklaringen over Taliban-dreiging en onderduikgedrag volwaardig in de motivering moeten worden meegenomen.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State van 14 september 2026 betreft een Afghaanse man die als psycholoog werkzaam was voor IPSO, een door Duitsland gefinancierde ngo. Na de Taliban-machtsovername in augustus 2021 werd hij in februari 2022 thuis doorzocht; zijn IPSO-pasje werd gevonden en hij werd mishandeld. Zijn gezin verliet daarop de woning en dook onder bij een zwager, terwijl appellant zelf nauwelijks buiten durfde te komen. Desondanks wees de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn asielaanvraag af. De minister baseerde zich op het ambtsbericht Afghanistan van juni 2023, dat stelt dat voormalig ngo-medewerkers in het algemeen geen doelwit vormen voor de Taliban, en op het feit dat appellant legaal via de luchthaven was uitgereisd met zijn eigen paspoort. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of de minister en de rechtbank voldoende en kenbaar rekening hadden gehouden met alle door appellant afgelegde verklaringen, in het bijzonder zijn verklaringen over het onderduiken van zijn gezin en zijn eigen beperkte bewegingsvrijheid na de huiszoeking. De Raad van State oordeelt dat de grief over de legale uitreis faalt: nu appellant zelf heeft verklaard de veiligheidscontrole niet te hebben omzeild, gaat het beroep op VWN-informatie over omzeiling niet op. Echter, ten aanzien van de verklaringen over het onderduiken slaagt het hoger beroep wel. De minister heeft deze verklaringen niet kenbaar betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en de rechtbank heeft dit motiveringsgebrek ten onrechte niet onderkend. De Afdeling acht niet inzichtelijk waarom deze concrete feiten buiten beschouwing zijn gelaten. De zaak moet in zoverre opnieuw worden beoordeeld, met een deugdelijke en kenbare motivering over de betekenis van het vlucht- en onderduikgedrag voor het risicoprofiel van appellant.