Hoger beroep asielzaak gedwongen uithuwelijking ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5401, Raad van State, 14-09-2026, BRS.26.001871
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vrouw (appellant) stelde in haar asielrelaas gedwongen uithuwelijking en dreiging van vrouwenbesnijdenis te vrezen in haar land van herkomst. De minister achtte dit niet geloofwaardig en weigerde asiel. De rechtbank bevestigde dit, waarna appellant in hoger beroep bij de Raad van State klaagde over de onvoldoende indringende rechterlijke toetsing.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling oordeelt dat een indringendere toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in deze zaak niet tot een andere uitkomst zou leiden, waardoor de principiële vraag over de toetsingsintensiteit onbeantwoord kan blijven.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en wordt verkort gemotiveerd ex artikel 91 lid 2 Vw 2000; de principiële rechtsvraag over toetsingsintensiteit wordt expliciet opengelaten, waardoor geen precedent ontstaat.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling laat de principiële vraag over de indringendheid van rechterlijke toetsing in asielzaken onbeantwoord omdat deze niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil.
- 2Geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld, conform de Cilfit-doctrine en het Remling-arrest van 24 maart 2026.
- 3Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (verkorte motivering): het hogerberoepschrift bevat geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen.
- 4De gestelde gedwongen uithuwelijking en dreiging van vrouwenbesnijdenis worden niet geloofwaardig geacht door de minister.
- 5Geen proceskostenveroordeling van de minister.
Impactanalyse
Juridische impact
De Afdeling laat bewust de rechtsvraag over de intensiteit van rechterlijke toetsing van asielgeloofwaardigheidsoordelen open, zodat precedentwerking uitblijft; de verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt correct toegepast.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de asielaanvraag definitief is afgewezen en zij geen verblijfsrecht in Nederland verkrijgt; de gevreesde gedwongen uithuwelijking en vrouwenbesnijdenis zijn niet erkend als geloofwaardige vervolgingsgrond.
Onderwerp-impact
De zaak raakt het vreemdelingenbeleid rondom gender-gerelateerde asielgronden (gedwongen uithuwelijking, vrouwenbesnijdenis), maar levert door de verkorte afdoening geen beleidsrichtinggevende uitspraak op.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ingesteld door een vrouw wier asielaanvraag door de minister was afgewezen. Appellant stelde in haar asielrelaas te vrezen voor gedwongen uithuwelijking en vrouwenbesnijdenis door haar toekomstige echtgenoot in haar land van herkomst. De minister achtte dit relaas niet geloofwaardig, een oordeel dat door de rechtbank in eerste aanleg werd bevestigd. In hoger beroep richtte appellant haar enige grief op de toetsingsintensiteit: zij betoogde dat de rechtbank het geloofwaardigheidsoordeel van de minister indringender had moeten toetsen, dan wel een eigen oordeel had moeten vellen. De Afdeling oordeelt dat de beantwoording van deze principiële vraag over de omvang van de rechterlijke toetsing in asielzaken achterwege kan blijven. Zelfs als een indringendere toetsing of een volledig eigen beoordeling door de rechter zou worden gehanteerd, zou dit in de specifieke omstandigheden van deze zaak niet tot een andere uitkomst leiden. De Afdeling ziet ook geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelet op de Cilfit-doctrine en het recentere Remling-arrest van 24 maart 2026, omdat de vraag niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil. De zaak wordt afgedaan met een verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, nu het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord dienen te worden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De rechtsvraag over toetsingsintensiteit in asielzaken blijft daarmee vooralsnog onbeantwoord.