Hoger beroep vreemdeling over SIS-signalering ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5378, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000318
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, haar opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en haar meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Het geschil betreft de vraag of sprake is van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in relatie tot een SIS-signalering inzake terugkeer.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en dat de relevante rechtsvragen al eerder door de Afdeling zijn beantwoord in een uitspraak van 17 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van eerder gevormde jurisprudentie via de gecomprimeerde afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000, zonder zelfstandige nieuwe rechtsontwikkeling of precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000: oordeel hoeft niet verder gemotiveerd te worden (gecomprimeerde afdoening).
- 2De rechtsvragen over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering zijn eerder beantwoord in ECLI:NL:RVS:2026:4177.
- 3Geen prejudiciële vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht vereist, mede gelet op HvJ-arrest Remling (ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5Enkelvoudige kamerafdoening, wat de routinematige aard van de zaak onderstreept.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de reeds gevormde jurisprudentielijn over de uitleg van artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen, zonder nieuwe rechtsvragen toe te voegen. De gecomprimeerde afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 geeft aan dat de rechtsontwikkeling op dit punt als uitgekristalliseerd wordt beschouwd.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat de SIS-signalering en het terugkeerbesluit in stand blijven en geen verdere rechtsmiddelen in Nederland openstaan. Er is geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat de Afdeling de lijn van ECLI:NL:RVS:2026:4177 consequent doortrekt en geen aanleiding ziet voor een andere benadering van de samenloop tussen nationale terugkeerbesluiten, verblijfsrechten in andere EU-lidstaten en SIS-signaleringen.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling over een andere toestemming tot verblijf in Portugal beschikte in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, en of het evenredigheidsbeginsel in de weg stond aan de SIS-signalering inzake terugkeer die tegen hem was uitgevaardigd. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met toepassing van de gecomprimeerde afdoeningsprocedure van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van deze bepaling hoeft het oordeel niet verder te worden gemotiveerd indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat de relevante rechtsvragen reeds waren beantwoord in haar eerdere uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177), waarin onder meer de uitleg van artikel 6 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel in relatie tot SIS-signaleringen aan de orde waren gekomen. Het hogerberoepschrift bood geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Voorts werden geen vragen gesteld over de uitleg of geldigheid van Unierecht die aanleiding gaven tot een prejudiciële verwijzing, mede gelet op het arrest Remling van het Hof van Justitie van 24 maart 2026. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De zaak heeft een beperkte juridische impact, nu zij geen nieuwe rechtsontwikkeling inhoudt maar slechts de bestaande jurisprudentielijn bevestigt.