Hoger beroep vreemdeling ongegrond: geen nieuwe rechtsvragen
ECLI:NL:RVS:2026:5376, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000340
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De zaak betreft vermoedelijk een terugkeerbesluit en een SIS-signalering inzake terugkeer, waarbij ook de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat en het evenredigheidsbeginsel aan de orde waren.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en dat de relevante rechtsvragen al eerder door de Afdeling zijn beantwoord in een uitspraak van 17 juli 2026.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard verkorte afdoening zonder nieuwe rechtsvragen of rechtsregels; de uitspraak is volledig gebaseerd op reeds bestaande jurisprudentie en heeft geen zelfstandige precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Afdeling past de verkorte afdoening toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen motiveringsplicht bij ontbreken van relevante rechtsvragen.
- 2De rechtsvragen over vereiste aanwezigheid op het grondgebied en het evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering zijn al beantwoord in RvS 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168).
- 3Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht, conform HvJ 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De zaak is enkelvoudig afgedaan, wat past bij de routinematige toepassing van eerder uitgezette lijnen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de eerder door de Afdeling vastgestelde lijn over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel in terugkeerzaken. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent deze uitspraak dat het terugkeerbesluit en de bijbehorende SIS-signalering in stand blijven en dat verdere rechtsmiddelen binnen de nationale procedure zijn uitgeput.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met betrekking tot terugkeerbesluiten en SIS-signaleringen biedt deze uitspraak geen nieuwe handvatten; de bestaande jurisprudentie van juli 2026 blijft leidend.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van het geschil betrof vermoedelijk een terugkeerbesluit en een bijbehorende SIS-signalering, waarbij vragen speelden over de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De afdoening geschiedt in verkorte vorm op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000: het hogerberoepschrift bevat geen vragen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, zodat nadere motivering achterwege blijft. De Afdeling wijst er expliciet op dat de aan de orde gestelde rechtsvragen over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel reeds zijn beantwoord in de uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168, r.o. 6.1-7.4). Het hogerberoepschrift geeft geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Evenmin roept het vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Deze uitspraak heeft een beperkte zelfstandige juridische betekenis: zij bevestigt slechts dat de eerder uitgezette lijn inzake terugkeerbesluiten en SIS-signaleringen onverkort van toepassing blijft. Voor de betrokken vreemdeling zijn hiermee de nationale rechtsmiddelen uitgeput.