Hoger beroep vreemdeling over terugkeerbesluit ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5375, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000188
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 2 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over een terugkeerbesluit en SIS-signalering. De zaak betrof de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt en het evenredigheidsbeginsel.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen nieuwe rechtsvragen opwerpt die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, nu de relevante rechtsvragen reeds eerder door de Afdeling zijn beantwoord.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen of beleidswijzigingen; zij bevestigt enkel bestaande jurisprudentie en heeft geen zelfstandige precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: geen motiveringsplicht bij ontbreken van relevante rechtsvragen voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
- 2De rechtsvragen over aanwezigheid op grondgebied en evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering zijn eerder beantwoord in ABRvS 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168).
- 3Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht conform HvJ 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer, wat past bij de standaard procedurele afhandeling zonder complexe nieuwe rechtsvragen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en consolideert de eerder gevormde jurisprudentie over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel in terugkeerzaken. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gevestigd.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering in stand blijven, zonder vergoeding van proceskosten. De minister hoeft geen financiële consequenties te dragen.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat rechtsvragen over terugkeerbesluiten en SIS-signalering als uitgekristalliseerd worden beschouwd na de uitspraak van 17 juli 2026, waardoor vergelijkbare zaken snel kunnen worden afgedaan.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van de zaak betrof de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit en de daarmee samenhangende SIS-signalering, waarbij in het bijzonder de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel aan de orde waren gesteld. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 hoeft het oordeel niet nader te worden gemotiveerd, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Doorslaggevend is dat de relevante rechtsvragen — over aanwezigheid op het grondgebied en het evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering in het kader van terugkeer — reeds zijn beantwoord in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168). Het hogerberoepschrift biedt geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Daarnaast roept het beroepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, conform de maatstaf uit het arrest Remling van het Hof van Justitie van 24 maart 2026. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De zaak illustreert de werking van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en bevestigt dat de jurisprudentie over SIS-signalering en terugkeerbesluiten inmiddels als uitgekristalliseerd wordt beschouwd.