Raad van State: minister moet nieuw besluit nemen over verblijfsrecht gezin
ECLI:NL:RVS:2026:5373, Raad van State, 11-09-2026, BRS.25.000739
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Ghanese moeder met twee in Nederland geboren minderjarige zonen vroeg een verblijfsvergunning aan op grond van artikel 8 EVRM (privéleven). De minister wees de aanvraag af na een belangenafweging die in het nadeel van betrokkenen uitviel. De rechtbank constateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken, waarna de minister in hoger beroep ging bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State oordeelt dat de grieven van de minister deels terecht zijn, maar dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De minister dient daarom alsnog een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken in de belangenafweging moeten worden hersteld.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een bestaande lijn van jurisprudentie over artikel 8 EVRM en minderjarige kinderen in vreemdelingenzaken. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld, maar de motiveringsplicht bij kinderbelangen wordt herbevestigd. De zaak is individueel van aard met beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare feitencomplexen.
Belangrijkste punten
- 1Aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM (recht op privéleven) voor Ghanese moeder en twee in Nederland geboren kinderen.
- 2De minister voerde een belangenafweging uit die in het nadeel van betrokkenen uitviel, maar de rechtbank stelde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken vast.
- 3De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank: de grieven van de minister falen, ook al zijn ze deels terecht.
- 4BIC-rapporten (Best Interests of the Child-Assessments) zijn overgelegd maar de beoordeling van de kinderbelangen is onvoldoende gemotiveerd.
- 5De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met een deugdelijke motivering van de belangenafweging.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij artikel 8 EVRM-aanvragen met minderjarige kinderen hoge motiveringseisen gelden en dat BIC-rapporten serieus in de belangenafweging moeten worden betrokken. Zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken in dergelijke besluiten leiden tot vernietiging en hernieuwde besluitvorming.
Praktische impact
Voor de Ghanese moeder en haar twee zonen betekent deze uitspraak dat de procedure voortduurt en de minister opnieuw een inhoudelijk gemotiveerd besluit moet nemen, waarbij de belangen van de kinderen zorgvuldig moeten worden meegewogen.
Onderwerp-impact
In zaken waarbij minderjarige kinderen lang in Nederland verblijven en een beroep doen op artikel 8 EVRM, wordt opnieuw bevestigd dat de overheid hun belangen niet summier mag afdoen maar gemotiveerd moet betrekken bij het toelatingsbeleid.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Ghanese moeder die in 2009 naar Nederland is gekomen en sindsdien hier verblijft samen met haar twee in Nederland geboren minderjarige zonen. De vader van de kinderen werd in 2014 uitgezet naar Ghana. Na een mislukte aanvraag in het kader van de Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen in 2019, dienden betrokkenen in 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM, meer specifiek het recht op eerbiediging van het privéleven. De minister wees de aanvraag af op basis van een belangenafweging waarbij het Nederlandse belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog dan het belang van betrokkenen om hun privéleven in Nederland voort te zetten. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken in de gemaakte belangenafweging en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister zijn klachten over de uitspraak van de rechtbank weliswaar deels terecht naar voren brengt, maar dat zijn grieven niet leiden tot vernietiging van de aangevochten uitspraak. De Afdeling bespreekt niet alle grieven, omdat een oordeel daarover op dit moment niet noodzakelijk is voor de uitkomst. De minister dient derhalve, conform de opdracht van de rechtbank, opnieuw een besluit op bezwaar te nemen. In die nieuwe beslissing zal hij de belangen van betrokkenen – waaronder de door middel van BIC-rapporten onderbouwde kinderbelangen – zorgvuldig en gemotiveerd moeten afwegen. De uitspraak bevestigt de strenge motiveringseisen die gelden bij artikel 8 EVRM-aanvragen waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn.