JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5372Laag12/100

Hoger beroep vreemdeling over terugkeerbesluit ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:5372, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000371

Raad van StateUitspraak: 11 september 2026Publicatie: 9 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.000371
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Vreemdelingenwet
Artikel 91 Vw2000
Terugkeerbesluit
Evenredigheidsbeginsel
Sis Signalering

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 14 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

Kern van de zaak

Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over een terugkeerbesluit van de minister. De zaak betrof onder meer de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt en een SIS-signalering inzake terugkeer in relatie tot het evenredigheidsbeginsel.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (art. 91 lid 2 Vw 2000), nu de relevante rechtsvragen reeds eerder door de Afdeling zijn beantwoord.

12van 100

Impactscore

Laag

De zaak is afgedaan met toepassing van de verkorte procedure zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst volgt volledig uit bestaande jurisprudentie en heeft geen zelfstandige precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motiveringsplicht bij ontbreken van relevante rechtsvragen.
  • 2De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168) over aanwezigheid op het grondgebied en evenredigheid bij SIS-signalering inzake terugkeer.
  • 3Geen prejudiciële vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht vereist, conform het Remling-arrest van het HvJ EU van 24 maart 2026.
  • 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
  • 5Enkelvoudige kamer heeft de zaak afgedaan, wat passend is bij zaken zonder principiële nieuwe rechtsvragen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste toepassing van de verkorte motiveringsplicht uit artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de eerder gevormde jurisprudentielijn over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel in terugkeerzaken. Er ontstaat geen nieuwe rechtsontwikkeling.

Praktische impact

Voor de betreffende vreemdeling betekent dit dat het terugkeerbesluit en de daarmee samenhangende SIS-signalering in stand blijven. Proceskosten worden niet vergoed door de minister.

Onderwerp-impact

De uitspraak heeft beperkte zelfstandige betekenis voor de vreemdelingenrechtpraktijk, maar bevestigt de bestaande lijn over vereiste aanwezigheid op het grondgebied bij terugkeerbesluiten en de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.

Samenvatting

In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2026 is het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank over een terugkeerbesluit ongegrond verklaard. De zaak draaide om de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, alsmede om de evenredigheid van een SIS-signalering inzake terugkeer. De Afdeling past artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe, op grond waarvan een hoger beroep zonder nadere motivering kan worden afgedaan wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Dat is hier het geval: de relevante rechtsvragen waren al beantwoord in de eerdere uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168), waarin uitgebreid is ingegaan op de vereiste aanwezigheid op het grondgebied en het evenredigheidsbeginsel in relatie tot SIS-signaleringen. Het hogerberoepschrift biedt geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of geldigheid van Unierecht die een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie zouden rechtvaardigen, conform het Remling-arrest van 24 maart 2026. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De zaak illustreert de routinematige toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken waarbij geen nieuwe juridische vragen spelen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5500Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5500, Raad van State, 16-09-2026, 202503162/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5498Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5498, Raad van State, 16-09-2026, 202502470/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVergunningen
32/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:441Laag
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:441, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/55

College van Beroep voor het bedrijfsleven15 sep 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:430Middel
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:430, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/353

College van Beroep voor het bedrijfsleven15 sep 2026OverheidHandhaving
32/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied