Hoger beroep terugkeerbesluit ongegrond wegens eerdere jurisprudentie
ECLI:NL:RVS:2026:5371, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000428
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De kern van het geschil betrof de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtsvraag al eerder door de Afdeling is beantwoord in een uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168), en het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen stelt die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen.
Impactscore
LaagDe zaak is zonder inhoudelijke motivering afgedaan op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en bevestigt uitsluitend bestaande jurisprudentie. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en de uitkomst is voor de rechtspraktijk weinig verrassend.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep afgedaan zonder nadere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen rechtsvragen van algemeen belang)
- 2De rechtsvraag over vereiste aanwezigheid op grondgebied bij terugkeerbesluit was al beantwoord in RvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform HvJ EU 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat de routinematige aard van de zaak onderstreept
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de vereenvoudigde afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en consolideert de jurisprudentielijn uit ECLI:NL:RVS:2026:4168 over aanwezigheidsvereisten bij terugkeerbesluiten. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat het terugkeerbesluit van de minister in stand blijft. De minister dient wel € 934,00 aan proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht wordt de reeds gevormde jurisprudentielijn over terugkeerbesluiten en aanwezigheidsvereisten op het grondgebied van een lidstaat verder bestendigd zonder nieuwe ontwikkelingen.
Samenvatting
In deze zaak deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak op 11 september 2026 in een hoger beroepszaak op het terrein van het vreemdelingenrecht. De betrokken vreemdeling, vertegenwoordigd door een advocaat uit Rotterdam, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over een door de minister van Asiel en Migratie uitgevaardigd terugkeerbesluit. De centrale rechtsvraag betrof de vereiste aanwezigheid van de vreemdeling op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De Afdeling paste daarbij de vereenvoudigde afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000: het hogerberoepschrift bevatte geen rechtsvragen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moesten worden, zodat nadere motivering achterwege kon blijven. De doorslaggevende reden voor de ongegrondverklaring is dat de aan de orde gestelde rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling is beantwoord in haar uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168, punten 6.1 en 6.1.1). Het hoger beroep bood geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Evenmin riep het hogerberoepschrift vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals vereist volgens het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister van Asiel en Migratie werd wel veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, vastgesteld op € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.