Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond na eerdere precedent
ECLI:NL:RVS:2026:5370, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000833
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak, vermoedelijk betreffende een terugkeerbesluit. De minister van Asiel en Migratie was de wederpartij. De kern van het geschil betrof de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling paste artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe omdat de rechtsvraag al was beantwoord in een eerdere uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168) en geen nieuwe vragen over Unierecht opriep.
Impactscore
LaagDe uitspraak voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe en betreft een standaardafdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000; het belang is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Afdeling past vereenvoudigde motivering toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming)
- 2Rechtsvraag over vereiste aanwezigheid op grondgebied bij terugkeerbesluit reeds beantwoord in RvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168
- 3Geen prejudiciële vragen aan HvJ EU vereist; Remling-arrest (HvJ 24 maart 2026) biedt voldoende Unierechtelijk kader
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding proceskosten hoger beroep van € 934,00
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat past bij de gestandaardiseerde afdoening
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de vereenvoudigde afdoeningsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en consolideert het precedent van RvS 17 juli 2026 inzake aanwezigheidsvereiste bij terugkeerbesluiten. Er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent dit dat het terugkeerbesluit in stand blijft. De minister dient wel de proceskosten van het hoger beroep (€ 934,00) te vergoeden aan betrokkene.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken rondom terugkeerbesluiten wordt het bestaande kader verder geconsolideerd; advocaten en vreemdelingen worden geconfronteerd met een beperkte kans op succes in hoger beroep bij reeds beantwoorde rechtsvragen.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 september 2026 uitspraak gedaan in een hoger beroep op het terrein van het vreemdelingenrecht. De zaak betrof een vreemdeling die in hoger beroep ging tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij de kern van het geschil lag bij de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die een terugkeerbesluit neemt — een vraag die raakt aan de Europese Terugkeerrichtlijn en de uitvoering daarvan in Nederland. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarvoor was geen uitgebreide motivering vereist, omdat artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 een vereenvoudigde afdoening toelaat wanneer het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang zijn van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin. De doorslaggevende reden voor deze conclusie was tweeledig. Ten eerste had de Afdeling de relevante rechtsvraag — over de aanwezigheidsvereiste bij het nemen van een terugkeerbesluit — al beantwoord in haar uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168). Het hoger beroep bood geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Ten tweede riep het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht die aanleiding zouden geven tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, mede gelet op het Remling-arrest van 24 maart 2026. De minister van Asiel en Migratie werd wel veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van € 934,00. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige betekenis en consolideert slechts het bestaande rechtskader.