JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5332Laag28/100

Demonstratieverbod Covid-19: geen procesbelang, beroep niet-ontvankelijk

ECLI:NL:RVS:2026:5332, Raad van State, 09-09-2026, 202201633/1/A3

Raad van StateUitspraak: 9 september 2026Publicatie: 9 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202201633/1/A3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Mensenrechten
Overheid
Handhaving
Procesbelang
Covid 19
Demonstratievrijheid
Demonstratieverbod
Volksgezondheid

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland aan [appellant] een verbod opgelegd om op 1 april 2020 te gaan demonstreren. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft de voorzitter het bezwaar van [appellant] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en een rectificatieverzoek van [appellant] op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), afgewezen. [appellant] heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. [appellant] heeft op 29 maart 2020 kenbaar gemaakt op 1 april 2020 te willen demonstreren. Met het besluit van 31 maart 2020, nader toegelicht op 2 april 2020, heeft de voorzitter de demonstratie verboden. [appellant] heeft vervolgens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek met de uitspraak van 2 april 2020 afgewezen. In het besluit op bezwaar van 22 juli 2020 heeft de voorzitter het primaire besluit gehandhaafd en het rectificatieverzoek, waaruit blijkt dat [appellant] het op onderdelen niet eens is met de motivering in de nadere toelichting op dit primaire besluit, afgewezen omdat het aangevoerde al aan de orde komt in het kader van de heroverweging in bezwaar van het primaire besluit. [appellant] is het daar niet meer eens.

Kern van de zaak

Appellant wilde op 1 april 2020 demonstreren, maar de voorzitter van de gemeente verbood dit vanwege de gezondheidscrisis aan het begin van de Covid-19-pandemie. Appellant vocht dit verbod aan in bezwaar en beroep, ook na afloop van de beoogde demonstratie. De rechtbank verklaarde zijn beroepen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Doorslaggevend is dat appellant geen procesbelang heeft nu de demonstratie nooit heeft plaatsgevonden en vergelijkbare verboden op gezondheidsgronden in de voorzienbare toekomst niet meer zullen worden opgelegd.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over procesbelang en heeft geen nieuwe rechtsregels gesteld. De relevantie is beperkt tot de specifieke Covid-19-context en vergelijkbare tijdelijke noodmaatregelen.

Belangrijkste punten

  • 1Demonstratie op 1 april 2020 verboden door voorzitter op grond van volksgezondheidsbelang (Covid-19).
  • 2Rechtbank en Raad van State oordelen dat procesbelang ontbreekt nu de demonstratie niet heeft plaatsgevonden.
  • 3Overtuigende toezegging van de voorzitter dat demonstraties niet meer op gezondheidsgronden worden verboden, mede door toegenomen Covid-19-kennis en vaccinaties.
  • 4Rectificatieverzoek over de motivering van 2 april 2020 kan niet los worden aangevochten, omdat die motivering al onderdeel is van het besluit op bezwaar.
  • 5Verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij een demonstratieverbod dat niet meer herhaalbaar is geacht, procesbelang ontbreekt en beroep niet-ontvankelijk is. Dit stelt grenzen aan de mogelijkheid om achteraf principiële toetsing van tijdelijke noodmaatregelen te verkrijgen.

Praktische impact

Appellant ontvangt geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het demonstratieverbod en geen schadevergoeding, waardoor de zaak definitief gesloten is zonder erkenning van eventueel onrechtmatig overheidsoptreden.

Onderwerp-impact

Voor toekomstige pandemie- of crisisscenario's beperkt deze lijn de mogelijkheid voor burgers om achteraf rechterlijke toetsing te verkrijgen van demonstratieverboden die als eenmalig worden gepresenteerd door de overheid.

Samenvatting

In deze zaak stond een demonstratieverbod centraal dat de voorzitter op 31 maart 2020 oplegde aan appellant, die had aangekondigd op 1 april 2020 te willen demonstreren. Het verbod werd gemotiveerd vanuit het belang van de volksgezondheid, aan het begin van de Covid-19-pandemie toen nog weinig bekend was over het virus. Appellant vocht het verbod aan via bezwaar en beroep, ook nadat de beoogde demonstratie nooit had plaatsgevonden. Hij diende tevens een rectificatieverzoek in over de motivering in de nadere toelichting van 2 april 2020. De rechtbank verklaarde beide beroepen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Zij oordeelde dat de voorzitter overtuigend had gesteld dat vergelijkbare demonstratieverboden op gezondheidsgronden in de voorzienbare toekomst niet meer zouden worden opgelegd, mede gezien de toegenomen kennis over Covid-19 en de brede vaccinatiegraad. Tevens stelde de rechtbank vast dat het rectificatieverzoek geen zelfstandige grond voor een aparte procedure bood, omdat de motivering reeds deel uitmaakte van het besluit op bezwaar. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk procesbelang had, nu de kans op een nieuwe lockdown door een nieuw virus reëel zou zijn en hij dan opnieuw geconfronteerd zou kunnen worden met een dergelijk verbod. De Raad van State verwierp dit betoog en bevestigde de uitspraak van de rechtbank volledig. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak sluit aan bij vaste jurisprudentie over procesbelang: wanneer herhaling van een besluit niet aannemelijk is en de beoogde handeling niet heeft plaatsgevonden, ontbreekt een voldoende concreet belang bij rechterlijke toetsing. Hierdoor blijft een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het vroege Covid-19-demonstratieverbod uit.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5363Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5363, Raad van State, 09-09-2026, 202504077/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied