Hoger beroep vreemdeling over SIS-signalering ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5285, Raad van State, 11-09-2026, BRS.26.000334
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 16 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, haar opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en haar meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Het geschil betreft de vraag of sprake is van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in relatie tot een SIS-signalering inzake terugkeer.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, nu de relevante vragen al eerder door de Afdeling zijn beantwoord in een uitspraak van 17 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling en is een routinematige bevestiging van eerder door de Afdeling gegeven antwoorden op rechtsvragen. De toepassing van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 maakt verdere motivering overbodig.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte motiveringsgrond ex artikel 91, tweede lid, Vw 2000: geen verdere motiveringsplicht bij ontbreken van rechtsvragen van algemeen belang.
- 2De rechtsvragen over artikel 6, tweede lid, Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering waren al beantwoord in ECLI:NL:RVS:2026:4177.
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, conform het Remling-arrest van het HvJEU (ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister is niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat past bij de routinematige aard van de zaak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn over artikel 6, tweede lid, Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen zoals neergelegd in ECLI:NL:RVS:2026:4177, zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De toepassing van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 onderstreept de rol van dit instrument als filter voor hogerberoepszaken zonder algemeen belang.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat de eerdere rechterlijke beslissing onherroepelijk wordt en de SIS-signalering inzake terugkeer van kracht blijft. Er is geen proceskostenveroordeling, zodat beide partijen hun eigen kosten dragen.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen met een SIS-signalering en een (gesteld) verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat zoals Portugal blijft de drempel hoog om via hoger beroep een andere uitkomst te bereiken, nu de Afdeling de rechtsvragen als afgedaan beschouwt.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft een hoger beroep van een vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling beschikte over een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, alsmede de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in relatie tot een SIS-signalering inzake terugkeer. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 hoeft dit oordeel niet verder te worden gemotiveerd, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De relevante rechtsvragen waren immers al eerder beantwoord door de Afdeling in haar uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177), die betrekking had op dezelfde thematiek. Het hogerberoepschrift bood geen grond om in dit geval anders te oordelen. Evenmin riep het vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, conform de maatstaf die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld in het Remling-arrest van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De zaak is afgedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen de routinematige aard ervan bevestigt. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking en draagt niet bij aan nieuwe rechtsontwikkeling op het gebied van terugkeerbeleid of SIS-signaleringen.