Intrekking verblijfsvergunning vernietigd wegens gebrekkige motivering
ECLI:NL:RVS:2026:5281, Raad van State, 10-09-2026, BRS.25.000750
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 mei 2021, gewijzigd bij besluit van 27 mei 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie had de verblijfsvergunning van een vreemdeling ingetrokken omdat hij een actuele bedreiging zou vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving. Betrokkene vocht dit besluit aan bij de rechtbank, die de minister in het ongelijk stelde. De minister stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de minister is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de minister bij de beoordeling van de actuele dreiging niet kenbaar de meest recente informatie heeft betrokken, waardoor het besluit tot intrekking ondeugdelijk was gemotiveerd.
Impactscore
LaagDe uitspraak is afgedaan via de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000, wat impliceert dat geen nieuwe rechtsvragen worden beantwoord. Het betreft een bevestiging van bestaande motiveringseisen in individueel geval zonder bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
- 2Bij de beoordeling van de actuele dreiging had de minister kenbaar de meest actuele informatie moeten betrekken.
- 3De minister behoudt de bevoegdheid om opnieuw een intrekkingsbesluit te nemen, mits gebaseerd op actuele informatie.
- 4De zaak is afgedaan via de verkorte motiveringsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat geen rechtseenheidsvragen spelen.
- 5Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene is vervallen door de ongegrondverklaring van het principale hoger beroep (art. 8:112 lid 2 Awb).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat intrekking van een verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde gepaard moet gaan met een expliciete en kenbare afweging op basis van de meest actuele informatie over de dreiging. Gebrekkige motivering leidt tot vernietiging van het intrekkingsbesluit.
Praktische impact
Betrokkene behoudt vooralsnog zijn verblijfsvergunning, maar de minister kan een nieuw, deugdelijk gemotiveerd intrekkingsbesluit nemen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene (€ 934,00).
Onderwerp-impact
Voor de uitvoeringspraktijk in het vreemdelingenrecht geldt dat besluiten tot intrekking van verblijfsvergunningen op grond van openbare orde een actuele en kenbare informatieafweging vereisen; verouderde of niet kenbaar meegewogen informatie volstaat niet.
Samenvatting
In deze zaak had de minister van Asiel en Migratie de verblijfsvergunning van een vreemdeling ingetrokken op grond van de stelling dat hij een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de minister bij zijn beoordeling niet kenbaar de meest actuele informatie had betrokken. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het centrale juridische oordeel is dat een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning wegens gevaar voor een fundamenteel belang van de samenleving deugdelijk moet worden gemotiveerd aan de hand van actuele informatie. Omdat de minister dit heeft nagelaten — hij heeft bij zijn oordeel over de actuele bedreiging niet kenbaar de meest recente gegevens meegewogen — schiet de motivering tekort. De Afdeling wijst er uitdrukkelijk op dat het oordeel de minister niet belet om opnieuw een intrekkingsbesluit te nemen, mits dat besluit wel op actuele informatie is gebaseerd. De zaak is afgedaan via de verkorte motiveringsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: het hogerberoepschrift roept geen vragen op die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, noch vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene vervalt van rechtswege. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 934,00 voor professionele rechtsbijstand.