Hoger beroep vreemdeling over SIS-signalering ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5245, Raad van State, 09-09-2026, BRS.26.000198
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Het geschil betrof de vraag of sprake was van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij een SIS-signalering inzake terugkeer.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe omdat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, mede omdat de relevante rechtsvragen al eerder door de Afdeling zijn beantwoord.
Impactscore
LaagDe uitspraak voegt geen nieuwe rechtsnormen toe en is enkel een bevestiging van bestaande jurisprudentie via de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe (geen motiveringsplicht bij ontbreken van relevante rechtsvragen).
- 2De rechtsvragen over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en evenredigheid bij SIS-signalering waren al beantwoord in de uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177).
- 3Het hogerberoepschrift riep geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht conform het Remling-arrest van het HvJ EU (24 maart 2026).
- 4Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten door de minister.
- 5De zaak betreft de wisselwerking tussen nationaal terugkeerbeleid, de Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringsregels.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de eerdere Afdelingslijn over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringsbeleid zonder nieuwe rechtsontwikkeling toe te voegen. De verkorte afdoening onderstreept dat prejudiciële vragen aan het HvJ EU niet vereist zijn na het Remling-arrest.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat de SIS-signalering en het daarmee samenhangende terugkeerbesluit in stand blijven. Er bestaat geen recht op proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met een SIS-signalering en verblijfsrechten in een andere EU-lidstaat biedt deze uitspraak geen nieuwe aanknopingspunten; de rechtslijn uit juli 2026 blijft leidend.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling, bijgestaan door een advocaat uit Den Haag, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, en of het evenredigheidsbeginsel in de weg stond aan de SIS-signalering inzake terugkeer die op de vreemdeling rustte. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Daarbij paste de Afdeling de verkorte motivering toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikellid maakt het mogelijk een hoger beroep zonder nadere motivering af te doen wanneer het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. De Afdeling stelde vast dat de relevante rechtsvragen over artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel bij SIS-signaleringsbesluiten al eerder waren beantwoord in de uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177). Er was geen reden in dit geval anders te oordelen. Bovendien riep het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht in de zin van het arrest Remling van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026, zodat een prejudiciële verwijzing niet aan de orde was. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte zelfstandige juridische betekenis, nu zij uitsluitend bestaande jurisprudentie bevestigt en geen nieuwe rechtsontwikkeling bevat.