Voorlopige voorziening afgewezen na bodemprocedure beslist
ECLI:NL:RVS:2026:5236, Raad van State, 09-09-2026, 202500255/2/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 november 2024 heeft de raad van de gemeente Buren het bestemmingsplan "Lienden, Marktplein tussen 2 en 4 en Marktplein 10" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vermoedelijk in het kader van een ruimtelijke ordeningszaak tegen een gemeenteraad. De zaak hing samen met een bodemprocedure (zaak nr. 202500255/3/R4).
Beslissing van de rechter
Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen omdat de Afdeling op dezelfde dag uitspraak deed in de hoofdzaak (bodemprocedure), waardoor geen sprake meer was van een lopend geding. Nu de bodemzaak is beslist, vervalt de grondslag voor een voorlopige voorziening.
Impactscore
LaagDe uitspraak is puur procedureel van aard en bevestigt een gevestigde procesrechtelijke regel zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De inhoud van het onderliggende geschil is niet beoordeeld.
Belangrijkste punten
- 1Op dezelfde dag als dit verzoek werd de bodemzaak (ECLI:NL:RVS:2026:5229) door de Afdeling beslist.
- 2Door de uitspraak in de hoofdzaak bestond er geen geding meer waaraan de voorlopige voorziening kon worden verbonden.
- 3Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een lopend geding.
- 4De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De uitspraak is procedureel van aard en bevat geen inhoudelijk oordeel over het onderliggende geschil.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een verzoek om voorlopige voorziening zijn grondslag verliest zodra de bodemzaak is beslist, ongeacht de uitkomst daarvan. Er is geen zelfstandig belang meer bij een ordemaatregel als het geding is geëindigd.
Praktische impact
Voor verzoeker betekent dit dat de gevraagde schorsing of ordemaatregel niet wordt verleend; hij is aangewezen op de uitkomst van de reeds gedane uitspraak in de hoofdzaak. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Onderwerp-impact
In ruimtelijke ordeningszaken onderstreept dit dat het tijdig indienen van een verzoek om voorlopige voorziening cruciaal is; zodra de bodemprocedure eindigt, vervalt automatisch de mogelijkheid tot een ordemaatregel.
Samenvatting
Op 9 september 2026 deed de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening in zaak nr. 202500255/2/R4. Het verzoek was ingediend door een verzoeker die zich richtte tegen een besluit van een gemeenteraad, waarschijnlijk op het gebied van ruimtelijke ordening, gezien de zaakcodering R4. De zaak was nauw verbonden met een gelijktijdig lopende bodemprocedure onder zaaknummer 202500255/3/R4 (ECLI:NL:RVS:2026:5229). Op dezelfde dag dat het verzoek om voorlopige voorziening werd behandeld, deed de Afdeling in de hoofdzaak uitspraak ten gronde. Daarmee verviel de feitelijke en juridische grondslag voor het verzoek om een voorlopige voorziening: een dergelijk verzoek heeft immers alleen bestaansrecht zolang er een lopend geding is waaraan de ordemaatregel dienstbaar kan zijn. Nu de bodemprocedure was afgerond, was van een dergelijk geding geen sprake meer. De voorzieningenrechter wees het verzoek dan ook af. Een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit of van de spoedeisendheid en de afweging van belangen bleef achterwege, nu dit procesrechtelijk niet meer aan de orde was. De raad werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is een standaardtoepassing van het beginsel dat voorlopige voorzieningen accessoir zijn aan een hoofdgeding: zij bestaan ter overbrugging van de periode totdat de bodemrechter heeft beslist. Zodra die beslissing er is, houdt de voorziening op te bestaan als zinvol rechtsmiddel. Voor de praktijk betekent dit dat verzoekers er goed aan doen tijdig een voorlopige voorziening te vragen en te waken dat de behandeling niet samenvalt met of ná de uitspraak in de hoofdzaak.